Tijdens de werkzaamheden van de Nederlandse militairen in de Afghaanse provincie Uruzgan komen zij regelmatig in contact met vooral kinderen. Opvolgend pelotonscommandant Rob (39) uit Venlo beschrijft hoe die kinderen af en toe net circusartiesten zijn.
Het zweet druppelt langzaam langs m'n rug naar beneden. Ik voel dat het under-armourshirt wat ik draag, natter en natter wordt. Het is intussen zo vanzelfsprekend geworden, dat ik me er niet eens meer druk om maak. Af en toe je borstkast opzetten zorgt voor wat ruimte tussen m'n torso en het kogelwerendvest. Daar kan dan een zuchtje wind voor heerlijke verkoeling zorgen. Het is nog vroeg in de ochtend, maar toch doet de koperen ploert aardig z'n best om ons een warm gevoel te geven. Te goed moet ik zeggen. Heel af en toe rolt er ook een druppeltje zweet langs m'n wenkbrauwen en komt in m'n oog terecht. Lekker, zeg. Ondanks de borstels boven m'n ogen, die doen denken aan die van Ruud Lubbers. Toch moet ik me, ondanks de hitte, concentreren op de omgeving voor me. Er is een patrouille van ons te voet het gebied in gegaan. De voertuigen zijn achtergebleven. We hebben ze zo neergezet, dat we vanuit die positie maximaal kunnen steunen, indien nodig. Met de bewapening die we aan boord hebben kunnen we het de vijand zo moeilijk maken, dat ze eigenlijk geen schijn van kans maken.
Tom is met een aantal personen de “green” in. Op zoek naar Maleks om mee te praten. Ik ben met het overige personeel op de “overwatch” om de nodige steun te kunnen verlenen, de omgeving in de gaten te houden en dat door te spelen richting Tom en contact te houden met de base. Natuurlijk doe ik dat niet allemaal alleen. Meestal is de bemanning van het voertuig waar ik in zit ook “de sjaak” en bemanning van achtergelaten voertuigen. Iedereen wil natuurlijk mee de “green” in. Dat is het mooiste. Daar kom je vaak het beste in contact met de bevolking. Maar ook op de overwatch leggen we regelmatig contact met de bevolking. Het zijn meestal de kinderen uit de directe omgeving die dan naar ons toe komen rennen. Als we geluk hebben is er een tolk bij ons, die het gemakkelijk maakt om met ze te praten. Vaak is dat op de overwatch niet het geval. Dan wordt het leuk. Ondertussen ken ik wel wat woorden waarmee ik de meest basale dingen duidelijk kan maken. En wat opvalt is, dat die kleine koters heel snel Nederlands spreken…. Hahaha.. nou ja, een papagaai zou er in ieder geval jaloers op zijn. Het eerste wat ze van Cas te leren krijgen is: “Oude pomp, Hillegom”. Iets wat ze snel onder de knie krijgen. Of “allesj ghoet, in Deh Rawod”. Dat is er een die het al jaren goed doet, denk ik. Het levert hilarische gesprekken op. Als ze merken dat je wat woordjes Pashto spreekt, branden ze meteen los. Niet snappende, dat je er geen snars van verstaat. Maar de taal van handen en voeten is universeel en kom je een heel eind mee. En soms hoeft het niet eens dat je elkaar verstaat.
Daar gaat ons ego...
“Sergeant, moet je eens kijken wat deze kan…”. Het zijn soms net circusartiesten. Cas heeft contact gelegd met twee schaapsherdertjes. De jochies zijn amper acht en hoeden wel twintig schapen. Ineens, uit het niets, staan ze naast ons voertuig. Als een van de schapen te ver van de kudde is, pakt de jongste een steen op en gooit, zonder blikken of blozen, de steen op zo'n veertig meter afstand precies voor het schaap. We zijn allemaal even stil… (tuurlijk niet, maar het was wel indrukwekkend) Cas en ik kijken elkaar even aan en voelen allebei op hetzelfde moment de competitiedrang in ons opborrelen. “Uh, dat was wel heel erg ver, hè?” Even slaat de twijfel bij me toe. Het zal toch niet zo zijn, dat een jongetje van acht ons even “te kakken gaat zetten”? Vol goede moed raap ik een steen op en gooi hem met alle macht het voorterrein in. Tot mijn grote schrik….. haal ik het maar amper. Je zou het zelfs ter discussie kunnen stellen of ik niet verloren zou hebben. Ik zie een grote grijns op Cas's gezicht verschijnen. Het is zijn beurt. Met een ferme zwaai slingert hij het kleinood van zich af….. De spanning stijgt…. Hahahaha.. ook hij haalt het maar net. Het jochie heeft door waar wij op uit zijn, pakt nog even een steen en gooit heel nonchalant even een paar meter verder dan wij net gedaan hebben. “KRAK!!!”, daar gaat ons ego. We troosten elkaar met de gedachte, dat dit jongetje al z'n hele leven stenen gooit en wij net vers uit Nederland zijn overkomen waaien en daardoor minder ervaren zijn. Het tweede mannetje komt zich er ook even mee bemoeien en gooit eveneens zonder blikken of blozen even ver als z'n “collega”. Lekker, effe zout in de wonden strooien. En bedankt! Het was toch al duidelijk? Ahum… het was al erg, maar de vernedering is nog veel groter als blijkt dat dit jochie last heeft van z'n rechterhand en dus eigenlijk met z'n mindere hand bezig was. We zijn met stomheid geslagen. Om snel van onderwerp te veranderen en daarmee ons verlies te camoufleren (camoufleren is per slot van rekening iets waar militairen wel goed in zijn.. ) begin ik over de hand van het tweede jongetje. “Barkiri?”(pijn?) vraag ik op m'n beste Pashto. Hij knikt instemmend. Om op mijn beurt indruk op hem te maken, stel ik hem wat medische vragen, ter controle van eventueel functieverlies. Het lijkt op een fikse kneuzing van z'n middenhandsbeentjes. Voor zover als ik het natuurlijk kan beoordelen. Tijd voor Dokter Len! Len onze steun en toeverlaat staat een eindje verderop. Met handen en voeten maak ik duidelijk dat hij naar hem toe moet gaan om het daar nog eens goed te laten beoordelen. Het lukt. Hij snapt het en neemt z'n “collega” en de twintig schapen mee. Twintig minuten later duikt het duo weer voor ons op, met netjes een hand en pols ingezwachteld. Geweldig! De jochies zijn enthousiast.
Een aantal dagen later kom ik hem weer tegen, de jongen met de ingezwachtelde hand. Nu is hij alleen, zonder z'n “collega” maar wel met de schapen. Eerst herken ik ‘em niet, maar al snel schiet het bij me binnen. Hij gebaart me om naar hem toe te komen. We staan namelijk achter een soort van prikkeldraad. Als ik bij hem ben geeft hij me een soort komkommer. “Dehramannana” (hartelijk dank) en ik neem de komkommer aan. Waarschijnlijk geeft hij me nu z'n lunch. Het is de Afghaanse gastvrijheid. Al is het het laatste wat je hebt, je geeft je gasten altijd iets te eten of drinken. Eigenlijk voel ik me bezwaard. Normaal gesproken geven we niets van eten of drinken aan de lokale bevolking. Het voorkomt dat ze onze patrouilles bestoken met bedelen en eventueel kinderen onder de voertuigen zouden kunnen raken als we voorbij rijden. Zie het net als veel carnavalsverenigingen doen met de optocht. Een beetje Limburgse tradities in Afghanistan. Ahum… Maar ik krijg het niet over m'n hart, dat ik nu waarschijnlijk z'n lunch heb. Hup, voor deze ene keer dan. Al teruglopend naar m'n bak (voertuig) vraag ik Cas of hij me een flesje water wil pakken voor het jongetje. Tegelijkertijd, als ik bij de bak ben, haal ik wat crackers uit een rantsoen. Verrast en glunderend neemt het jochie het aan. Eenmaal terug op m'n positie gebaren we nog wat naar elkaar. Hij vindt het lekker. De glimlach is niet van z'n gezicht te krijgen…..
Kinderen zijn belangrijk
Op sommige locaties komen we wat vaker. Het is dan leuk om te zien, dat de kinderen je gaan herkenen en andersom. Je zou bijna zeggen dat het een soort band schept. In mijn ogen zijn die kinderen heel belangrijk. Ten eerste zijn kinderen vaak de onschuld zelve. Groeien met iets op en weten eigenlijk niet beter. Zij kunnen niets aan de situatie in hun omgeving doen. Daarnaast weet ik zelf nog wel goed, toen ik zo jong was, hoe interessant het was toen er militairen de Maas overstaken met YPR'n (onze pantservoertuigen). Geweldig, ik mocht eens een keer naar binnen kijken. Nooit meer vergeten. Zo zullen deze knaapjes dat waarschijnlijk ook wel beleven. Naast dat sentimentele is er ook iets functioneels. Als er geen kinderen op ons af komen, betekent dat meestal dat er iets niet in de haak is. Vaak is het een teken, dat ze van hun ouders niet met ons mogen omgaan. En dat kan om verschillende redenen zijn. Ze zijn ook een ingang voor ons richting hun ouders. Als ze met leuke verhalen thuiskomen en vertellen over de grappige en leuke dingen die ze met ons meemaken is dat weer een positief verhaal over ISAF in een Afghaanse quala. Maar boven alles staat, dat het gewoon leuk is om met die kinderen grappige taferelen te bouwen. De jongens uit ons peloton zijn daar heel creatief in. Het maakt het zweet over m'n rug, voor mij in ieder geval, meer dan goed…..