Home Informatie Website team Albert-Jan Bosch

postheadericon Albert-Jan Bosch

AddThis Social Bookmark Button

Albert-Jan Bosch


Militaire info:
Rnr: 63.10.27.024
Eindrang: Sld
Lichting: 86-1 (dienstplicht)
Januari 1986: Kromhoutkazerne, Utrecht (AMO)
Februari/maaart 1986: Dumoulinkazerne, Soesterberg (TD)
April 1986 / maart 1987: Legerplaats Seedorf, 42e PainfBat, A-Cie (Goose-Cie), Staf-peloton, EWS-monteur YPR-765 25m

Hoi, Ik ben Albert-Jan Bosch.
Op 27 oktober 1963 mocht ik het levenslicht aanschouwen in de wijk Caberg te Maastricht.
Op deze plek wil ik gebruik maken van de mogelijkheid om mezelf aan jullie voor te stellen.
En hopelijk nodigd dit jullie uit om mij de hand te schudden tijdens één der vele LJ-gelegenheden.

Privé:
Ik ben getrouwd met Kitty en samen hebben we 2 meisjes en 1 zoon; Simone (01-04-1995), Manon (30-12-1996) en Jelmer (16-12-1998).

Militaire carriere:
- Opkomst Kromhout, Utrecht
Op 6 januari 1986 ben ik per eerste gelegenheid openbaar vervoer vertrokken naar Utrecht. Aldaar, kreeg ik, na de nodige formaliteiten, waaronder wederom de vraag of ik naar Duitsland zou willen, kreeg ik mijn groene kloffie aangemeten. Ik behoorde tot een lichting, waarin het "Blenco-en", insmeren van riemen en tassen, niet meer standaard was. Een paar riempjes t.b.v. de pukkel moesten nog gedaan worden, de rest niet meer. Ook het embleem was reeds voor bewerkt; dus geen gepoets meer.

Tijdens deze maand Algemene opleiding, heb ik mezelf wel behoorlijk geprofileerd. Te sterk eigenlijk, want e.e.a. is mij gedurende de rest van mijn dienstplicht gewoon vooruit gesneld.

Toen werd het tijd om ons officieel in te lijven en ons onder militair appel te plaatsen.

Vanaf dat moment begon echt de hersenspoeling. Alles “moesten” we opnieuw leren leek het wel. Lopen, maar dan in 1 cadans en natuurlijk allemaal met hetzelfde been. Ook behoorde hierbij het maken van een nette, gelijkmatige bocht, het om je as draaien en natuurlijk het samen in 1-keer stil staan. Wat hebben we toch allemaal over ons heen gekregen.

Intimideren, daar was de sergeant goed in. En dan dat opstellen voor het appel..... Ik hoor nog steeds de kreet:”Met verkorte k**tte koppen, naar rechts, richten.” En daar schoven we dan, arm-lengte afstand houdend van je voorman, een armlengte afstand nemen van de man rechts en de man links op een armlengte afstand houden EN op 1 lijn staan met de mannen rechts van je. En na veel oefenen ging zoiets ook nog goed. Werd zelfs automatisme.

En dan die PSU-kast!!! Mesbreed stapelen, geen naden aan de Voorkant. Iedereen alles op dezelfde plek in de kast leggen. Wat een crime. Ik moest het meerdere malen herstellen. En vaak had ik, in mijn ogen, weinig of niks verandert, en dan was het volgens de sergeant hartstikke goed. (???)
Over machtspositie gesproken. Om het te verduidelijken: de laatste week van mijn verblijf in Seedorf, kreeg onze vrouwelijke Sergeant Mulder het in haar hoofd om mij te vertellen dat het een zooitje was in mijn kast, en dat ik de kast bij het volgende apel netjes moest hebben. Ik heb haar toen ook maar gezegd dat ze niet moest denken dat ik die laatste week nog mijn kast zou herinruimen. Daarna werd er door haar gedreigd met een rapport CC. Ik heb dus van ellende mijn kast opgeruimd. Weet je hoe? Gewoon: even alles een duwtje gegeven, 15 min. werk. En de volgende dag de complimenten van de sergeant. (Hoe maak je een vrouw gelukkig!)

Me staande houdend tussen de rest van de mannen was ook geen probleem. Ik wist dat ik niet over me heen moest laten lopen. En dat heb ik goed onthouden en toegepast. Dat heeft mij ook dan voor de rest van mijn dienst tijd achtervolgd. Men was dus gewaarschuwd voor die "gek".

Ik had me voorgenomen dat ik, indien nodig dreigementen van mijn kant moest maken. En tot 2-maal toe is dat die eerste maand ook echt gebeurd. Daarna trouwens nooit meer......

Dus op een bepaald moment lagen we allen te bed, tja wat moest je ’s avonds ook anders doen, en keken we gezamelijk televisie. Op een bepaald moment werd er een hoop heibel (netjes omschreven) gemaakt, waar ik dus wat van zei. Ja, als één-na-oudste moet je je soms laten gelden. Toen daar niet op gereageerd werd, dreigde ik indien er niet gestopt werd, naar de betreffende persoon een blikje te smijten. En helaas, ik moest mijn dreigement uitvoeren. Dus daar vloog een dicht blikje drinken van de ene hoek diagonaal naar de hoek aan de overkant. Gelukkig overleefde het blikje zijn tocht en de landing, maar het slachtoffer, iemand met een behoorlijk mondje en stoer gedrag, was behoorlijk onder de indruk. Hij had namelijk niet verwacht dat ik dit zou doen. De eerste tijd hierna heb ik dan ook weinig of geen last van hem gehad.

Echter hij ontdekt dat als iemand in een stapelbed ligt en ook nog in het bovenste bed, je met een touw die persoon een behoorlijke slechte nachtrust kunt bezorgen. Nou jammer. 1 avond had ik nodig om de zaak in te schatten. Maar een volgende avond had ik me goed voorbereid. Ik had namelijk goed zichtbaar voor de aanwezige personen, mijn P.S.U.-mes in bed gelegd. En wel met het mes open geklapt. Dus toen het bekende touw weer vast zat aan mijn bed (hoe flikten ze dat toch...), was dit snel doorgesneden. En men had toen in de gaten dat je met die “gek” dus niet moest spotten. Ik heb verder geen last gehad van de betreffende persoon en/of personen.

Maar bovenstaand verhaal heeft mij verder wel achtervolgt. Of beter gezegd: dit verhaal is mij iedere keer vooruit gevlogen.

Na 2 maanden was ik eindelijk door de EMO heen.

Opleiding EWS-monteur:
Toen werd ik overgeplaatst naar Soesterberg, De Kromhout-kazerne. Hier kwam ik terecht bij OCTD, en lag gelegerd in gebouw D. Dit is het gebouw links gelegen aan de toegangsweg van de hoofdpoort.

Hier werden we ondergebracht op kamers voor 4 personen. Het was een luxe vergeleken met Utrecht. Na het inrichten van de PSU-kast en opmaken van het bed kregen we een praatje met, geloof ik, onze pelotons sergeant. Ik kreeg meteen te horen dat hij van messentrekkers zoals ik niet gediend was en dat hij mij heel goed in de peiling zou houden. Ik heb hem gevraagd of ik het verhaal mocht vertellen zoals het in werkelijkheid was gegaan. Dit mocht. Of hij het nou wel of niet geloofde, dat weet ik niet, maar ik heb natuurlijk wel gezorgd dat hij geen klagen over mij had en ik heb nooit gemerkt dat hij mij anders behandelde dan dat hij met de rest deed.

Ja, hier op Soesterberg kregen we dus te maken met de militaire techniek. Ik moest dus van een YPR het een en ander gaan leren. Voor een EWS-monteur betekende dat ik de werking en het onderhoud moest leren van de toren met zijn 25mm kanon en de coax, de diverse rookpotten op de YPR en de in het voertuig aanwezige opbergplaatsen voor de diverse wapens. En niet te vergeten het zoeklicht.

En natuurlijk iedere keer weer een storing trachten op te lossen. Storingen die eenvoudig waren, omdat de voertuigen inzetklaar moesten zijn en blijven. Dus een storing bestond eigenlijk altijd uit een stekker die los gemaakt was en of een schakelaar die geblokkeerd werd door een stukje papier.

Iedere dag werden we ’s morgens van het legeringsgebouw af gemarcheerd naar het voertuigen complex, waar zich ook de leslokalen bevonden. Hier was ook een kantine voor de middaglunch. En ’s avonds werden we weer terug afgemarcheerd naar het legeringsgebouw. Dit alles gebeurde toch in een zeer relaxte sfeer. Alleen de mars op militair terrein werd gedaan in strak gelid.

En onze rozzige sergeant  had als favourite song het "Wat ruist er door het struikgewas..........".
De lessen zelf waren behoorlijk ontspannen, maar toch zeer serieus. We werden ook regelmatig aan de tand gevoeld. Vele uren brachten we door in en rondom de toren. Dit was voor mij het begin van een leuke tijd.

Het mindere leuke van deze tijd was het wachtlopen; dat was in februari / maart 1986 nogal een ijskoude geschiedenis. In die tijd werd Evert van Bentum ook winnaar van de Elfstedentocht.

Toen brak het moment der momenten aan:
Ik moest naar Seedorf in Duitsland (?!). Ik was daar in gedeeld bij een 42-BLJ, A-Cie. “Nou en? Zal mij een zorg zijn. Ik zal toch een jaar bijna nog moeten vol maken”, dacht ik toen.

Seedorf:
Aangekomen in Seedorf, en het gebouw van dat 42-BLJ, A-Cie gevonden. (“Zou er dan ook een B-Cie zijn?”) ’s Avonds meteen de bar in, kennis maken met de compagnielichting die bijna ging afzwaaien. Ik was heel allert op ontgroeningspraktijken. Echter helemaal niks daarvan mee gekregen.

's Morgens op de kamer gebleven, zodat ik niet op appel hoefde. Tja; Staf is toch een buitenbeentje. Daarna met pelotons-sergeant Hunink mee naar de COG (compagnie Onderhouds Groep). Daar voorgesteld aan de andere monteurs en aan mijn EWS-collega.

En nog steeds besefte ik niet waar ik bij zat. Mijn baret toonde nog steeds het embleem van TD. Dus ik was geen zandhaas. Ik wou eigenlijk ook geen ander embleem. Maar we hadden een COG sergeant Hunink, en die zei dat het moest. En als dienstplichtig soldaat had ik dus weinig tegen een sergeant in te   brengen. Dus maar de emblemen ingeleverd. Ja, maar niet allemaal. Als herinnering een setje mogen houden. En daar had ik ze dan: het eikenblad met Jachthoorn en zwaard. En nog steeds niet beseffende waar ik bij zat.

Toen kwam de compagnie lichting 86-1 op.
Jonge gasten, bij moeders weg gehaald en zo gedroegen verschillende zich dan ook. Veel alcohol nuttigen werd voor hen buiten diensttijd het vermaak. Dit moesten we dan regelmatig op appel bekopen met een zware preek van de CC Kapitein Cloïn. Vele dreigementen heeft hij in die tijd geuit. Wat baalde ik daarvan. Kinderen die zich niet gedroegen, wij staf, met zeer verantwoorde taken belast, zouden daar de dupe ook van kunnen worden. Gelukkig zijn het alleen maar dreigementen gebleven voor zover ik dat weet, maar de gedachte om met de Kerstdagen 1986 in een puptentje te slapen was toch verre van prettig.

Vele oefeningen werden er door ons gevolgd. En steevast werd er op het eindappel op de kazerne door kapitein Cloïn het zelfde gezegd: "Mannen, jullie hebben prima werk geleverd, maar we zijn er nog lang niet." En na een aantal oefeningen dacht ik steeds:”Man wat klets je nu? Wat moeten we nog beter doen? Het ging toch goed!”  Maar ja, nu weet ik het wel: de mannen moesten gepushed worden om een volgende keer weer tot het uiterste te gaan. Ondertussen was er bij mij wel het besef gerezen van wat ik was: De Limburgse Jager Bosch.

Dit kwam door onze kapitein, die hoorde graag dat je je zo meldde. En wat voelde ik me: Een Mestreechteneer die diende onder het Regiment Limburgse Jagers! Was er iets mooiers?? Nee, dit was mijn kick. En ik was trots op mijn uniform en mijn embleem.

Op zaterdag had men ook weer zo iets geweldigs: bataljons veldloop! Met z’n allen rennen naar de munitie bunker. Hier omheen rennen en dan weer terug naar de kazerne. Nou, ik ben behoorlijk sportief, dus ik heb dit vaak gedaan. Dus 1x. Voordat we begonnen zei onze kapitein nog dat we binnen een bepaalde tijd binnen moesten zijn en dat betekende dat we vóór hem weer terug in het gebouw moesten zijn. Nou, daar had ik dus knijp, want mijn conditie is niet zo geweldig. Maar wat mij tot op heden nog steeds verbaasd, de kapitein was achter mij toen we de poort uitgingen, maar tijdens de run heb ik hem niet meer gezien. Terug gekomen op het kazerne terrein was de kapitein mij nog niet gepasseerd. Ik heb toen het tempo verlaagd, maar hij was nergens te zien. En over het hoofd kon je hem toch niet echt zien. Waar hij heeft uitgehangen, ik weet het niet, maar heden ten dage verbaasd het me nog steeds. Maar in een gesprek met hem in augustus /september 2002 heeft hij gezegd dat dit wel goed zat. Na deze zaterdag, had de staf het altijd druk. Wij moesten altijd sleutelen. Wel handig als je een sergeant hebt, die er ook weinig in ziet om een rondje te rennen.

Daarin tegen moesten we wel regelmatig sporten in de sporthal. En meestal dus mijn favoriete sport: voetbal. Dus die uren duurde tig keer zo lang. Een keer hebben we buiten op het voetbalveld gespeeld. De sergeant Adelhart Toorop stond bij de tegenpartij in de goal. Onze wapenboer, Mees, die ging met de bal aan de voet op die goal af. Wat doet Adelhart Toorop? Die rent recht op Mees af! Gevolg:
Mees die geeft de bal een lel, echter dat been van Adelhart Toorop, die kon de klap niet verdragen. Staande aan de andere kant van het veld, hoorde ik de botten kraken. Ik voel nu nog de koude rillingen over mijn rug lopen bij de gedachte hieraan. En dus was Adelhart Toorop een lange tijd uit de running. En ik heb van John de Adelhart Toorop onlangs (2004) vernomen dat hij er nog steeds last van heeft.

Samen met de onderstelmonteurs, Jan de Jong en Marc Borger en met onze Laro-chauff, Jonny Schoemaker vormden wij, lichtinggroep 86-1, toch wel een leuk en hecht ploegje. Ook met de andere stafmannen konden we het goed vinden. En met Marc heb ik nog wel eens een keer samen wat traantjes gelaten. Tegenwoordig laten werkgevers personeel gekke dingen doen, om een team verband te creëren, maar toen en in die situatie ging dat vanzelf: samen lachen, samen huilen. Maar ook samen werken. En als het kon, elkaar helpen met het werken aan de YPR’s. Ja, Seedorf heeft geen goeie naam. Ik heb er ook rot momenten gekend, maar nu ik er aan terug denk, is dat met een smile.

De EWS-legeringskamer was er eentje van klein formaat. Met 3 man sliepen we hier de meeste tijd. V. Proosdij had, als kamer oudste, een normaal bed en ik lag in het bovenste stapelbed. Het was een kamer aan het einde van de gang. En met 2 buiten muren was het dus altijd koel of koud hier.

Op oefening gaan was voor mij meestal een uitje. Onze second was altijd heel voorzichtig met de torens. “Bosch, draai de stekkers er maar uit. Als de loop op en neer kan, is het goed.” Zo voorkwamen wij, bijna, altijd, dat er minder voertuigen oorlogs inzetbaar waren na een oefening. Van de 14 bakken waren er volgens mij bijna altijd minstens 10 oorlogs inzetbaar. Maar deze actie moet voor de boordschutter best wel frustrerend zijn geweest. Een beetje met de loop spelen, en verder niks kunnen.

Ook tijdens het onderhoud, welke direct na de oefening plaats vond, mochten de boordschutters van mijn voorganger, dpl.sld.1 v. Proosdij, weinig doen. V. Proosdij is trouwens sld 1 geworden omdat hij de EWS-administratie en de status van de torens van kwaliteit niks naar zeer goed heeft gebracht. En daar was voor mij dus geen eer meer aan te behalen. Maar ik heb ook steeds gezegd:”Ik ben zonder iets op mijn schouders binnen gekomen en ik ga ook zonder iets op die  schouders er uit. En dat klopte, de rest v.d. staf, lichting 86-1, kregen op een bepaald moment een rood streepje en ik dus niet.

Tijdens een oefening, ik geloof dat het Sennelager was, was het zo warm, dat wij, de COG-groep, ons bivak hadden opgemaakt in een bossage, met een openplekje, waar een YPR door ons in ontvangst genomen kon worden, om eventuele reparaties uit te voeren. Hier was een zichtbaar verschil tussen staf en overige pelotons. Wij, als staf, lagen lekker in de zon te bakken, terwijl de rest bepakt en bezakt in het veld bezig waren. Kwam echter het bericht dat we bezoek konden verwachten, dan ging het tenue weer correct en werd het wapen, gasmasker e.d. weer aangedaan. Want we moesten wel zorgen dat de jongens niet verkeerde conclusies gingen trekken.

Zo, dit was mijn dienstplichtige periode.

Tot slot:
Die rode streep heb ik tijdens mijn dienstplicht niet mogen ontvangen, echter de vele complimenten die wij als site van jullie mogen ontvangen, doet die rode strepen compleet vervagen.

Maar de mooiste onderscheiding die ik kon krijgen, kreeg ik op 9 januari 2007 uit handen van de toenmalige Regiments Commandant, nu Kol R. Querido; de Kolonel Antoni Waardering.
Waardering

Mijn mede teamgenoten hebben mij hiervoor voorgedragen.