Home Regiment Geschiedenis

Geschiedenis

AddThis Social Bookmark Button

Oprichting, afstamming en geschiedenis Regiment Limburgse Jagers

Het Regiment Limburgse Jagers (RLJ) is opgericht bij Koninklijk Besluit van 1 juli 1950 (nr. 26; Legerorder 1950, nr. 187). Bij KB d.d. 1 juli 1950, nr. 27,
werd bepaald dat de tradities van de op dezelfde datum opgeheven Regimenten Infanterie 2, 6 en 11 overgingen op het Regiment Limburgse Jagers en door deze nieuwe vredeseenheid zouden worden voortgezet.

Deze bepaling is bij het KB d.d. 12 maart 1977 (nr. 101; ministeriële beschikking d.d. 4 augustus 1977, nr. 10746/A; Landmachtorder nr. 77023) enigszins gewijzigd; in dit KB werd namelijk bepaald dat het Regiment Limburgse Jagers de voortzetting is van het 2e Regiment Infanterie en tevens is belast met de bewaring van de tradities van het 6e Regiment Infanterie. Bovendien werd bepaald dat het 2e Regiment Infanterie moet worden aangemerkt als de voortzetting van het 2e Regiment Infanterie van Linie van de Bataafse Republiek en van de eenheden waaruit deze was ontstaan en die tot 1813 eruit zijn voortgekomen. Het oudste stamonderdeel ten tijde van de oprichting van de Koninklijke Landmacht in 1813/1814 en de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden is het op 23 november 1813 opgerichte Linieregiment van Phaff; het oudste stamonderdeel van zijn voorganger is het op 18 november 1602 opgerichte Regiment van Lambert Charles.

Het een en ander houdt in dat in 1950, toen de oude genummerde regimenten werden gereorgani­seerd en samengevoegd tot naamregimenten, de Regimenten Infanterie (RI) 2 en 11 zijn herenigd tot het Regiment Limburgse Jagers en dat dit nieuwe regiment tevens de traditie van 6 RI bewaart. De Limburgse Jagers zijn dus de rechtstreekse voortzetting van 2 RI: de tradities van het in 1905 uit 2 RI voortgekomen 11 RI zijn bij de opheffing teruggekeerd naar het moederregiment, wat ook geldt voor de andere regimenten die uit 2 RI zijn voortgekomen, maar die na de Tweede Wereldoorlog niet zijn heropgericht. Aangezien de tradities van 6 RI slechts worden ‘bewaard’, zal hier niet worden ingegaan op de afstamming van
dit regiment. Het 2e Regiment Infanterie werd op 23 november 1813 te Rotterdam opgericht als het Linieregiment van Phaff, genoemd naar de oprichter en eerste regimentscommandant kolonel J.E. Phaff (1751-1823). In de loop van de negentiende eeuw is de naam van het korps enkele malen gewijzigd, maar het nummer bleef steeds onveranderd: 2e Bataljon Infanterie van Linie (1813), 2e Afdeling Infanterie (1815: samenvoeging van 2e Bataljon Infanterie van Linie en de Bataljons Nationale Militie 16, 17 en 18), 2e Regiment Infanterie (1841).

Toen de Koninklijke Landmacht op 9 januari 1814 officieel werd opgericht, werd het Nederlandse leger in feite heropgericht. Het Nederlandse leger, dat ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden het ‘Staatse Leger’ werd genoemd, eindigde na verschillende reorganisaties ten gevolge van de Bataafse Omwenteling (1795) en de stichting van het Koninkrijk Holland (1806-1810) zijn zelfstandig bestaan toen het bij de inlijving van Nederland bij het Franse keizerrijk in Napoleons ‘Grande Armée’ werd opgenomen. De van oorsprong Hollandse regimenten werden uiteindelijk in 1814 officieel ontbonden. De onderdelen van de Koninklijke Landmacht die in 1813/1814 werden opgericht, kunnen worden beschouwd als voortzettingen van overeenkomstige onderdelen van het oude Nederlandse leger. Het 2e Regiment Infanterie, het stamregiment van de Limburgse Jagers, kan zijn genealogie dan ook op historisch verantwoorde wijze terugvoeren tot het in 1805 gevormde 2e Regiment Infanterie van Linie van het leger van de Bataafse Republiek (gevormd uit de Bataljons Infanterie van Linie 2, 3 en 4). Dit regiment nam als 124ème Régiment d’Infanterie de Ligne deel aan
de veldtocht in Rusland in 1812. De continuïteit werd in de Napoleontische tijd niet geheel gebroken. Zo werd het 2e Bataljon Infanterie bij Waterloo aangevoerd door luitenant-kolonel J. Speelman, die als majoor van het 124e Regiment van Linie de veldtocht in Rusland had meegemaakt en in 1815 J.E. Phaff als commandant had opgevolgd.

In 1950 en 1977 is de successie wel voor het regiment vastgelegd, maar niet voor de bataljons waaruit het bestaat. Sinds 1950 zijn verschillende parate en mobilisabele eenheden registratief bij het regiment ingedeeld geweest. Afgezien van het Fanfarekorps der Limburgse Jagers, dat in 1995 is opgegaan in het Fanfarekorps Koninklijke Landmacht, zijn de belangrijkste onderdelen 16 Bataljon Limburgse Jagers (BLJ) en 42 pantserinfanteriebataljon (BLJ). 16 BLJ is op 1 februari 1952 opgericht als 322 BLJ, in juli 1953 omgenummerd tot 432 BLJ en op 1 juni 1957 tot 16 BLJ, en ten slotte op 18 april 1975 mobilisabel gesteld. 42 BLJ is op 1 november 1957 opgericht en sinds 1964 in Seedorf gelegerd; het is sinds 16 BLJ uit de vredesorganisatie van de Koninklijke Landmacht is verdwenen, de belangrijkste traditiedrager van het regiment. 42 BLJ heeft gedurende de
Koude Oorlog steeds een belangrijk aandeel gehad in de Nederlandse bijdrage aan de inspanning die door de NAVO werd geleverd om de Noord-Duitse laagvlakte bij een grootschalig conflict met het Warschaupact te verdedigen. Sinds de opschorting van de opkomstplicht in 1996 zijn Limburgse Jagers reeds driemaal buiten het bondgenootschappelijk gebied, t.w. in Bosnië-Herzegovina, in het kader van vredesoperaties ingezet: in 1995 (UNPROFOR) onder de naam A-cie Dutchbat ‘Griffin’, in 1996 (IFOR 1) en 1998 (SFOR 4) onder de naam 42 (NL) Gemechaniseerd Bataljon (mechbat) Limburgse Jagers. In steeds veranderende omstandigheden hebben de Limburgse Jagers de tradities van een van de oudste regimenten van de Koninklijke Landmacht hoog weten te houden.

Krijgsverrichtingen
Stamonderdelen van de voorganger van het 2e Regiment Infanterie in het Staatse Leger en in de Franse tijd hebben van de zeventiende tot het begin van de negentiende eeuw hun rol gespeeld op het Europese strijdtoneel. Uit de tijd van de Tachtigjarige Oorlog zijn weinig bijzonderheden overgeleverd. Uit de jaren die volgden op het ‘rampjaar’ 1672, is bekend dat het oudste stamonderdeel onder Willem Adriaan graaf van Hoorne heeft deelgenomen aan de slag bij Seneffe (11 augustus 1674), waar het Staatse leger onder Willem III tegenover de Franse troepen van Lodewijk XIV stond. Verschillende stamregimenten maakten voorts deel uit van het Engels-Nederlandse leger dat tijdens de Spaanse Successieoorlog (1701-1714) onder het opperbevel van de hertog van Marlborough de beroemde veldslagen tegen de Fransen leverde bij onder andere Ramillies (23 mei 1706),
Oudenaarde (11 juli 1708) en Malplaquet (11 september 1709). Het oudste stamonderdeel heeft gedurende deze periode, van 1699 tot 1711, gediend als mariniers onder kolonel Philippe Claude Touroud de St.-Amant. Van augustus tot oktober 1799 leverden het 2e en 3e Bataljon van de 1e Halve Brigade en het 1e Bataljon van de 2e Halve Brigade met het Frans-Bataafse leger onder luitenant-generaal H.W. Daendels in Noord-Holland strijd tegen de Engels-Russische invasiemacht (deze eenheden zouden in 1803 worden omgenummerd tot Bataljons Infanterie van Linie 2, 3 en 4, en in 1805 worden samengevoegd tot het 2e Regiment Infanterie van Linie). Ten slotte nam de voorganger van 2 RI onder de naam 124ème Régiment d’Infanterie de Ligne deel aan Napoleons veldtocht in Rusland in 1812, waarbij onder meer op 18 augustus bij Polotsk slag werd geleverd. Deze wapenfeiten spelen in de traditiehandhaving van het Regiment Limburgse Jagers echter geen rol.

De oorlogen die sinds de (her)oprichting van 2 RI zijn gevoerd, worden wel door het regiment herdacht. Stamonderdelen van het Regiment Limburgse Jagers hebben deelgenomen aan de meeste gewapende conflicten waarbij Nederland sinds de stichting van het Koninkrijk in 1813/1815 betrokken is geweest. Zo nam het 2e Bataljon Infanterie van Linie (stamonderdeel van 2 RI) enkele maanden na de oprichting deel aan de verovering van Breda (december 1813) en Naarden (januari 1814), die nog door de Fransen bezet werden gehouden. De wapenfeiten van verschillende stamonderdelen die aanleiding zijn geweest tot het verlenen van vaandelopschriften, zullen hieronder beknopt worden beschreven.

Quatre Bras en Waterloo 1815
  Het is te danken aan het feit dat Nederlandse troepen op 16 juni 1815 bij Quatre Bras hardnekkig standhielden, dat Napoleon niet in zijn opzet slaagde om dit belangrijke kruispunt te bezetten en daarmee een wig te drijven tussen het Brits-Nederlandse leger onder de hertog van Wellington en het Pruisische leger onder maarschalk Blücher. Aan de verdediging van Quatre Bras namen het 8e Bataljon Nationale Militie en het 7e Bataljon Infanterie deel (stamonderdelen van respectievelijk 2 RI en 6 RI). Beide bataljons behoorden tot de 1e Brigade van de 2e Divisie, welke brigade onder bevel stond van generaal-majoor W.F. graaf van Bylandt. Twee dagen later, op 18 juni, werd ten zuiden van Waterloo de beslissende slag geleverd. De Brigade-Van Bylandt was ditmaal bij de geallieerde eenheden die de eerste aanvalsgolven moesten afslaan. Voor de aanvang van de slag stond de
brigade in het centrum van de stelling van Mont St. Jean bij vergissing verkeerd opgesteld in het zicht en het schootsveld van de Franse artillerie. Hierdoor leed vooral het 8e Bataljon Nationale Militie bij de inleidende beschietingen grote verliezen. Na een tactische terugtrekking rukte de brigade met gevelde bajonet op. De brigadecommandant en de divisiecommandant generaal de Perponcher, die het bevel had overgenomen, werden hierbij achtereenvolgens gewond. Ten slotte werd de brigade aangevoerd door luitenant?kolonel W.A. de Jongh, commandant van het 8e Militiebataljon (stamonderdeel van 2 RI). Deze moest in verband met een te Quatre Bras opgelopen beenverwonding met het linkerbeen aan
het zadel worden vastgebonden om aan het gevecht te kunnen deelnemen. Vanwege munitiegebrek en de geleden verliezen werd de Brigade?Van Bylandt, die heldhaftig weerstand had kunnen bieden aan de Franse hoofdaanval, later op de dag in reserve genomen.

De 3e Divisie onder bevel van luitenant-generaal D.H. Baron Chassé, die bij Braine-l’Alleud (Eigenbrakel) in reserve was gehouden, zette in de namiddag een tegenaanval in tegen de linkerflank van Napoleons ‘Oude Garde’, die hierbij ten onder ging. Aan deze beroemde tegenaanval van Chassé namen het 2e Bataljon Infanterie en het 17e Bataljon Nationale Militie deel (stamonderdelen van 2 RI). Beide bataljons waren ingedeeld bij de 1e Brigade, die onder bevel stond van kolonel H. Detmers. Het 36e Bataljon Jagers (stamonderdeel van 6 RI), dat ook aan deze gevechten deelnam, behoorde tot de 2e Brigade (generaal-majoor d’Aubremé).

De slagen bij Quatre-Bras en Waterloo kostten de stamonderdelen van het Regiment Limburgse Jagers ongeveer 500 doden. Tiendaagse Veldtocht 1831 Tijdens de Belgische Opstand in 1830 werd het Nederlandse leger na gevechten in Brussel gedwongen het Zuiden te ontruimen. Het leger, dat uit zowel Noord- als Zuid-Nederlandse onderdelen bestond, werd daarbij gedeeltelijk ontbonden. Zo werden de restanten van de (Zuid-Nederlandse) 6e Afdeling Infanterie gevoegd bij de 17e Afdeling (beide stamonderdelen van 6 RI). Een jaar later, van 2 tot 12 augustus 1831, ondernam het gereorganiseerde leger de zogenoemde Tiendaagse Veldtocht. De Belgische strijdkrachten waartegen de strijd werd aangebonden, waren georganiseerd in het Scheldeleger en het Maasleger. Het Nederlandse leger, geleid door de opperbevelhebber de Prins van Oranje en zijn jongere broer prins Frederik, rukte in vier colonnes (divisies) op naar Turnhout, Diest, Hasselt en Leuven om beide Belgische legers van elkaar te scheiden en achtereenvolgens te verslaan. Tijdens de behoedzame opmars van de vier divisies ondervond het Nederlandse leger weinig weerstand; slechts op enkele plaatsen werden gevechten geleverd, onder andere bij Kermpt (nabij Hasselt). De compagnie Camphuijsen van de 17e Afdeling behoorde tot de troepen die daar standhielden tegen een vijandelijke overmacht. Op 5 augustus werd de strategische doorbreking verwezenlijkt door de bezetting van Diest, dat zich tussen het Schelde? en het Maasleger bevond. Het Maasleger, dat bij Hasselt bijna werd ingesloten, sloeg op de vlucht. Door politieke en militaire druk van de grote mogendheden Frankrijk en Groot-Brittannië moest Nederland de vijandelijkheden staken en na de
capitulatie van Leuven keerde het leger dan ook terug naar de garnizoenen.

Citadel van Antwerpen 1832
In het Zuiden bleef Antwerpen echter bezet door 4600 man Nederlandse troepen, die onder bevel stonden van generaal Chassé. Tot deze bezetting behoorde het 3e Bataljon van de 10e Afdeling Infanterie (stamonderdeel van 6 RI). In het najaar van 1832 werd de Citadel van Antwerpen belegerd door een Frans leger van 90.000 man sterk. Na een bloedige belegering, die langer dan een maand duurde, zag Chassé zich er op 28 december toe gedwongen de citadel over te geven. De campagne tegen het opstandige België kostte de stamonderdelen van het Regiment Limburgse Jagers ongeveer 50 doden.

Meidagen 1940
Toen de Duitsers op 10 mei 1940 ons land binnenvielen, was het gemobiliseerde Nederlandse leger weliswaar slecht uitgerust en bewapend, maar wel op volle oorlogssterkte gebracht. Zowel voor de Eerste Wereldoorlog als voor de Tweede Wereldoorlog was bij verschillende uitbreidingen van de organisatie de slagorde uitgebreid door nieuwe regimenten uit de bestaande te vormen. In 1905 was 11 RI al voortgekomen uit 2 RI; vervolgens waren bij uitbreidingen van de slagorde in 1913 en 1939 uit 2, 6 en 11 RI, de stamonderdelen van de Limburgse Jagers, negen nieuwe regimenten voortgekomen: 13, 26 en 37 RI (uit 2 RI); 22, 35 en 46 RI (uit 11 RI); 17, 30 en 41 RI (uit 6 RI). De meeste hiervan waren in de meidagen van
1940 ontplooid in Zuid-Limburg, de Maaslinie en de Peel-Raamstelling (onder andere bataljons van 2 en 6 RI). Andere, waaronder 11 RI, waren betrokken bij de verdediging van de Grebbelinie en de IJssellinie. De zwakke verdediging in het zuiden van het land was snel gebroken, maar op
verschillende plaatsen is door Nederlandse troepen verzet geboden. Zo wist op 10 mei de 1e compagnie (ongeveer 200 man) van het 2e Grensbataljon (2 RI) bij Venlo tot de avond alle Duitse aanvallen tegen te houden en ten slotte zelfs een Duits regiment (ongeveer 4000 man) in de verdediging te dwingen. Te Roermond heeft nog geen halve compagnie (ongeveer 100 man) van het 17e Grensbataljon (17 RI was in 1913 voortgekomen uit 6 RI) ruim 4 uur lang een regiment weten te weerstaan.

De drie bataljons van 35 RI (in 1939 voortgekomen uit 11 RI) waren ontplooid in de IJssellinie. Te Zutphen heeft de 3e compagnie van het 1e Bataljon een grootscheepse aanval van Duitse troepen, die gesteund werd door artillerie en vliegtuigen, vernietigend afgeslagen. Pas na herhaalde aanvallen moest de compagnie de strijd opgeven.

Van 10 tot 15 mei 1940 verloren de stamonderdelen van de Limburgse Jagers en de regimenten die daaruit waren voortgekomen, ruim 380 doden.

Nederlands-Indië 1946-1949
Na de Tweede Wereldoorlog werden 2, 6, 11 en aanvankelijk ook 13 RI heropgericht (13 RI was in 1913 voortgekomen uit 2 RI en de tradities ervan zouden in 1947 weer naar het moederregiment terugkeren). 6 en 17 RI werden pas in 1947 tot 6 RI herenigd, toen 14 RI tot 6 RI werd omgenummerd. Van deze regimenten werden in de jaren 1946-1948 achttien bataljons naar Nederlands-Indië verscheept om daar in het kader van de grootste militaire operatie die Nederland ooit heeft uitgevoerd, te helpen bij het herstel van orde en vrede.

De meeste van deze ‘Indiëbataljons’ waren ontplooid in West- en Midden-Java en in Noord-Sumatra, en hebben daar in de jaren die voorafgingen aan de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië en de vestiging van de onafhankelijke republiek Indonesië, veelal verspreid geopereerd. Als onderdelen van de 1e Divisie ‘7 December’ hebben veel bataljons deelgenomen aan de twee zogeheten Politionele Acties: de eerste (‘Operatie  Product’) van 21 juli tot 5 augustus 1947 en de tweede (‘Operatie Kraai’) van 19 december 1948 tot 5 januari 1949.

Bij hun repatriëring lieten de stamregimenten van de Limburgse Jagers 420 gesneuvelden in Indië achter.


Naam, embleem en tradities van het Regiment Limburgse Jagers

LKol Antoni


De naam ‘Limburgse Jagers’ is gekozen door de eerste regimentscommandant, luitenant-kolonel J.L.H.A. Antoni, die van 1948 tot 1950 commandant was van zowel 2 RI als 6 RI. Deze naam is een zeer goede keuze geweest: de geografische aanduiding ‘Limburgs’ en het predikaat ‘Jagers’ zijn beide historisch verantwoord.

De band van het regiment met de provincie Limburg heeft een lange traditie, die  vooral op 2 RI teruggaat. De staf van 2 RI was van 1913 tot 1940 gevestigd te Venlo en voordien gedurende verschillende perioden (1840, 1844-1847, 1864-1893) te Maastricht (de eerste standplaats was Breda, 1815-1840). De bataljons van 2 RI waren afwisselend onder meer in Venlo, Roermond en Maastricht gelegerd. De staf van het in 1913 uit 2 RI voortgekomen 13 RI was gehuisvest te Maastricht terwijl de bataljons zowel in Maastricht als in Roermond gelegerd waren. Na de Tweede Wereldoorlog maakten 2 RI, 6 RI en 11 RI van 1946 tot 1950 deel uit van het in Venlo gevestigde 5e Depot Infanterie. Toen in 1964 het regiment als
organieke eenheid uit de vredesorganisatie van de Koninklijke Landmacht verdween en tot een louter traditioneel verband werd, heeft men ervoor gekozen het regimentscommando der Limburgse Jagers te koppelen aan de functie van een territoriale commandant in Limburg om de band met de provincie vast te houden.

Sindsdien is de functie van regimentscommandant, belast met de traditiehandhaving, uitgeoefend door achtereenvolgens de Territoriaal Commandant
Limburg (TCL) (1965-1970), de Provinciaal Militair Commandant (PMC) Limburg (1970-1996) en de garnizoenscommandant Venlo (sinds 1996). Tegenwoordig wordt de band met de provincie bovendien gewaarborgd door de beschermheer mr. B.J.M. baron van Voorst tot Voorst, tot 1993 staatssecretaris van Defensie en thans gouverneur (commissaris der Koningin) van de provincie Limburg.

De benaming ‘Jagers’ gaat terug op een van de stamonderdelen van 6 RI: het 2e Regiment Zuid-Nederlandse Jagers; in 1815 tweemaal herdoopt tot respectievelijk 36e Bataljon Jagers en 17e Afdeling Infanterie, in 1839 omgenummerd tot 6e Afdeling Infanterie en ten slotte in 1841 6e Regiment Infanterie genoemd.

Naast een deel van de naam danken de Limburgse Jagers aan 6 RI twee vaandelopschriften en de regimentsmars. Over de vaandelopschriften volgen in de bijdrage ‘Het vaandel van het Regiment Limburgse Jagers’ de bijzonderheden. Wat de regimentsmars betreft, werd bij Landmachtorder 77024 de ‘Manoeuvremars’ door de Bevelhebber der Landstrijdkrachten aan de Limburgse Jagers toegewezen. Deze mars is de defileermars van het voormalige 6e Regiment Infanterie (6 RI) en werd gecomponeerd door P.A. Stenz, die van 1870 tot 1905 kapelmeester was bij 6 RI. (Daarnaast heeft het regiment een eigen ‘Limburgse Jagersmars’, die niet officieel, maar wel buitengewoon populair is en werd gecomponeerd door J. Jochems, kapelmeester van het Fanfarekorps der Limburgse Jagers.)

De geschiedenis van het regiment en de verbondenheid met Limburg worden treffend zichtbaar gemaakt in het regimentsembleem, dat in 1950 is ontworpen door luitenant-kolonel J.L.H.A. Antoni, de eerste regimentscommandant der Limburgse Jagers, en is vastgesteld bij ministeriële beschikking d.d. 30 januari 1951 (nr. 1034; Legerorder nr. 31, 1951). Het stelt een jachthoorn voor, gelegen op een opwaarts gericht zwaard; door de hoorn en het zwaard is een gebladerde eikentak gevlochten. De jachthoorn is genomen uit het wapen van het voormalige graafschap Horn, waarvan het grondgebied is gelegen in de huidige provincie Limburg. Het wapen (drie rode, met zilver beslagen jachthoorns in een gouden veld) maakt deel
uit van het Limburgse provinciewapen. Het toeval wil dat in de zeventiende eeuw drie graven van Horn(e) kolonel waren van het oudste stamonderdeel van de voorganger van het 2e Regiment Infanterie in het Staatse Leger: Adolf Filips (1625; opvolger van de eerst regimentscommandant Lambert Charles), Johan (1641-1663) en Willem Adriaan (1667-1694). Overste Antoni heeft hieraan bij het ontwerp waarschijnlijk niet gedacht, maar ongetwijfeld wel aan het feit dat de jachthoorn het traditionele embleem voor jagerregimenten (of ‘lichte
infanterie’) is. Het zwaard is genomen uit het rijkswapen, waarin het in de klauw van de Nederlandse leeuw een symbool is van kracht en overwinning. Het eikenloof is ontleend aan het Limburgse volkslied en het is eveneens het teken van de overwinning.

embleem


Het embleem wordt gedragen op een donkergroene achtergrond met karmozijnrode biezen. Deze wapenkleuren zijn ontleend aan de uniformen van het Limburgs Bondscontingent. Dit Nederlandse legeronderdeel behoorde tot het leger van de Duitse Bond gedurende de periode dat Limburg als hertogdom deel uitmaakte van deze losse vereniging van Duitse vorstendommen en stadstaten (1842-1867). De infanteristen van dit korps werden ook Limburgse Jagers genoemd en droegen een jachthoorn als korpsonderscheiding. Hoewel het geen stamonderdeel is van het huidige regiment, wordt de herinnering aan het Bondscontingent wel levend gehouden door de naam en de kleuren van de Limburgse Jagers.

De wapenspreuk, die niet op de baretgesp is afgebeeld, luidt: Regi Limburgiae Juventus (‘de weerbare jeugd van Limburg voor de koning’). Het is natuurlijk niet toevallig dat dit motto op dezelfde wijze wordt afgekort als de naam van het regiment: RLJ.

 Het vaandel van het Regiment Limburgse Jagers
Vaandel


 
Bij de oprichting van het Regiment Limburgse Jagers in 1950 werd bepaald dat het regiment een nieuw vaandel zou ontvangen. Dit vaandel werd op 8 oktober 1951 door koningin Juliana aan het regiment uitgereikt. De vaandels van de regimenten waarvan RLJ de traditie voortzet dan wel bewaart, zijn overgedragen aan de Traditiekamer van het regiment: 2 en 6 RI hadden deze op 21 september 1893 en 11 RI op 4 september 1905 uit handen van koningin Wilhelmina ontvangen. De vaandels die de voorgangers van het 2e Regiment Infanterie in de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden en in de ‘Franse tijd’ (1795-1813) hebben gevoerd, zijn alle verloren gegaan. Ook het vaandel dat op 1 oktober 1820 door luitenant-generaal D.H. baron Chassé aan de 2e Afdeling Infanterie is overhandigd, is niet bewaard gebleven. De doeken die 2 RI en 6 RI in 1846 ter vervanging kregen, worden bewaard in het Rijksmuseum te Amsterdam. Oorspronkelijk was het vaandel het teken waaronder men streed. De eenheid (compagnie of bataljon) was herkenbaar aan dit veldteken, dat zich te velde altijd in de onmiddellijke nabijheid van de commandant bevond. Behalve een herkenningsteken was het vaandel ook het symbool van de eer van het regiment.
Een voorbeeld van vaandeltrouw werd tijdens de veldtocht in Rusland in 1812 gegeven door kapitein Adrianus Speelman. Samen met zijn broer Johannes, die in 1815 het 2e Bataljon Infanterie (stamonderdeel van 2 RI en dus van RLJ) zou aanvoeren, diende hij in het 124e Regiment Infanterie van Linie (voorganger van 2 RI). Het regiment nam op 18 augustus 1812 deel aan de slag bij Polotsk en toen de vaandeldrager daarbij zwaar gewond raakte, nam de 35 jaar oude Speelman het vaandel van hem over. Kort daarop werd hij echter zelf dodelijk getroffen door een kanonskogel. Het regiment had het vaandel (de ‘aigle’), voorzien van de keizerlijke adelaar, in mei 1812 te velde toegezonden gekregen, ter vervanging van het vaandeldoek dat op 30 juni 1812 te Parijs door een detachement was overgenomen uit handen van Napoleon.

De Regimenten Infanterie 2 en 6 hebben tijdens de Tiendaagse Veldtocht in 1813 voor het laatst hun vaandel op het gevechtsveld meegevoerd. Toen de praktische functie van het vaandel verviel, behield het bij de Nederlandse krijgsmacht een belangrijke symbolische betekenis; het symboliseert niet alleen de eer van het korps of regiment, maar bovendien de verbondenheid met het Huis van Oranje in het algemeen en de Koning(in) in het bijzonder. Zo leggen beroepsmilitairen en reserve-officieren de eed af ‘voor de troep en op het vaandel’. Bij ceremoniële gelegenheden wordt het vaandel gedragen door de regimentsadjudant en bewaakt door een gewapende vaandelwacht. Bij Koninklijk Besluit van 7 augustus 1896 (nrs. 41 en 42) werden de regimentsvaandels in Nederland voor het eerst van opschriften voorzien. Men wilde hiermee bij het leger de herinnering levend houden aan de roemvolle wijze waarop de voorgangers van de bestaande korpsen zich sinds 1813 bij krijgsverrichtingen hebben onderscheiden. Het verlenen van een vaandelopschrift vindt plaats naar aanleiding van uitzonderlijke inzet van een eenheid onder operationele omstandigheden en is dan ook een belangrijke onderscheiding voor een regiment of korps. Aan het vaandel van het Regiment Limburgse Jagers zijn de volgende opschriften toegekend: Quatre Bras en Waterloo 1815, Tiendaagsche Veldtocht 1831, Citadel van Antwerpen 1832, Zutphen, Venlo en Roermond 1940, West- en Midden-Java 1946-1949, Noord-Sumatra 1947-1949. De krijgsverrichtingen waaraan de herinnering door deze vaandelopschriften levend wordt gehouden,
worden beknopt beschreven in de bijdrage ‘Oprichting, afstamming en krijgsverrichtingen van het Regiment Limburgse Jagers’.

cravattes


Om precies te zijn, komen van de genoemde vaandelopschriften alleen Quatre Bras en Waterloo 1815, Zutphen 1940, Venlo 1940, West- en Midden-Java 1946-1949, Noord-Sumatra 1947-1949 eigenlijk toe aan de Limburgse Jagers (2 RI); de opschriften Quatre Bras en Waterloo 1815, Tiendaagsche Veldtocht 1831, Citadel van Antwerpen 1832, Roermond 1940 en West- en Midden-Java 1946-1949 aan 6 RI. De opschriften die naar aanleiding van gevechtsacties tijdens de meidagen van 1940 (KB d.d. 27 februari 1998) en na de oorlog in Nederlands-Indië (KB d.d. 16 december 1977) zijn toegekend, zijn voorlopig op zogenoemde ‘cravattes’ aangebracht. Afgezien van het aan 6 RI toegekende opschrift Roermond 1940 zullen
deze bij vernieuwing van het vaandel op het nieuwe vaandel worden geborduurd. De opschriften die naar aanleiding van gevechtsacties tijdens de Belgische Opstand aan 6 RI zijn toegekend, zullen bij vernieuwing van het vaandel daarentegen niet meer op het nieuwe vaandel worden aangebracht. Deze komen immers al voor op de cravatte van 6 RI, waarvan de Limburgse Jagers de traditie niet voortzetten, maar bewaren.


Tekst:
Dr. J.A.M. Komen, res. maj. inf (RLJ)
rnr 64.08.21.250