De eerste jaren van de kazerne bij Oirschot
De eerste jaren van de kazerne bij Oirschot
Aan weerszijden van de oude dijk tussen Oirschot en Eindhoven strekt zich vier kilometer lang de afrastering van een groot militair complex uit. Ongeveer halverwege ligt de toegangspoort van de Generaal-majoor De Ruyter van Steveninckkazerne. Aan de oostzijde schurkt het moderne rijopleidingscentrum van Defensie tegen het kazernehek aan. De overige honderden hectaren van het complex zijn in gebruik als oefenterrein voor de hoofdgebruiker van dit defensieterrein: de 13e Gemechaniseerde Brigade (13 Mechbrig). Het kazerneterrein is tegenwoordig volgebouwd met legeringsgebouwen, loodsen, werkplaatsen, instructielokalen en andere faciliteiten voor de brigade, waar nog geen zeventig jaar geleden een ongerept heidegebied lag. Dit artikel verkent de eerste jaren van dit defensiecomplex.
In de laatste maanden van 1944 wisten de geallieerden het Duitse leger achter de grote rivieren terug te dringen. De Oirschotse heide werd gezuiverd door Britse troepen. Op 17 oktober nam de Prinses Irenebrigade dit deel van de frontlinie over en groef het zich in achter het Wilhelminakanaal. De commandant, luitenant-kolonel A.C. de Ruyter van Steveninck, vestigde zijn hoofdkwartier in Oerle. Na de inname van Oirschot vertrok de brigade op 24 oktober met de Britse 4th Armoured Brigade richting Tilburg. De strijd tegen de bezetter ging door. De bevrijding van de rest van Nederland liet nog maanden op zich wachten, maar kwam eindelijk in zicht.
De Nederlandse regering en legerleiding in Londen hadden zich al ruimschoots voor D-Day gebogen over de wederopbouw van de landmacht. Het voorlopige resultaat waren de Koninklijke Nederlandse Brigade ‘Prinses Irene’ en No. 2 (Dutch) Troop van No. 10 (Interallied) Commando, maar er was veel meer nodig: territoriale troepen in Nederland, bezettingstroepen in Duitsland en bovendien een omvangrijke troepenmacht voor het herstel van het koloniale gezag in Nederlands-Indië. Hiervoor waren duizenden militairen nodig en bijgevolg een evenredige legerings- en opleidingscapaciteit. In het bevrijde zuiden van Nederland tekenden duizenden leden van de Binnenlandse Strijdkrachten en andere ‘oorlogsvrijwilligers’ (ovw’ers) voor het leger. Voor hen moest met spoed onderdak worden gevonden.
Kort na de bevrijding werd de burgemeester van Best medegedeeld dat er op een bosperceel in zijn gemeente een kampement voor 15.000 militairen zou verrijzen. Dat plan viel niet goed: de burgemeester voelde er weinig voor om het uitverkoren terrein op te geven. Hij vond daarbij Staatsbosbeheer aan zijn zijde. De burgemeester opperde alternatieve locaties. Toen schijnt ook de Oirschotse heide te zijn genoemd, maar dat werd door de vertegenwoordigers van het Militair Gezag als onpraktisch afgedaan. De bereikbaarheid was beperkt door het ontbreken van verharde wegen en er was weinig hoogopgaand hout. Behalve voldoende ruimte, de aanwezigheid van water en een hoogspanningsleiding, waren dat twee belangrijke criteria bij de keuze van een geschikte kamplocatie.
De militaire autoriteiten leken gevoelig voor het protest in Best en trokken zich terug voor beraad. Het resultaat daarvan was verrassend: op 22 juni 1945 kon de burgemeester van Oirschot aan de gemeenteraad meedelen dat er aan de Eindhovensedijk een uitgestrekt kampement zou worden gebouwd. Wat de doorslag gaf, is ongewis. Het lijkt er op dat met de eisen voor de locatie soepel werd omgegaan. Haast zal waarschijnlijk de voornaamste raadgever zijn geweest, want de werving van militairen voor Nederlands-Indië ging onverminderd voort. Door een ongekend snelle bouwvoorbereiding – onteigening, ontwerp, aanbesteding – kon de aannemer al op 6 augustus aan de slag. De bouwvergunning werd nota bene anderhalve maand later afgegeven, terwijl pas in oktober de eerste eigendomsakten bij de notaris passeerden. Het eerste ontwerp van ‘Kampement A’, zoals het kamp op de Oirschotse heide in de begindagen te boek stond, telde circa 250 gebouwen, wegen, riolen, drinkwaterleidingen, elektriciteitsvoorzieningen en een rondgaand hekwerk met poorten. Daarnaast werd een deel van de nieuw aangeworven rijksgronden als oefenterrein bestemd. Dit alles zou het aanzicht van de Oirschotse heide totaal veranderen.
Op 1 november 1945 vond de eerstesteenlegging plaats in aanwezigheid van de minister van Oorlog. Toen waren er al 29 ‘kamphuizen’ in aanbouw en was het ontwerp, waarvoor twee civiele architecten waren aangetrokken, zelfs al een keer herzien. Daar bleef het niet bij, want omstreeks in juli 1946 zag een geheel nieuw plan het licht. Oorspronkelijk was het kamp bedoeld voor de eerste opvang van ten hoogste 15.000 ovw’ers. Mede door de beëindiging van de oorlog tegen Japan moest die bestemming vrij plotseling worden aangepast. ‘Kampement A’ werd bestemd voor de opleiding van parate eenheden. Dat vereiste een meer degelijke inrichting. In het laatste bouwplan werd gerekend op de huisvesting, verzorging en opleiding van een artillerieregiment, drie infanteriebataljons en ondersteunende eenheden. Daarnaast moest uiteraard de kampstaf worden ondergebracht. Dat bracht het totaal op 3.000 à 3.500 militairen. Dat was maar een derde van de oorspronkelijke belegging, maar na bijna een jaar bouwen waren er ternauwernood dertig barakken opgeleverd, terwijl zelfs de meest elementaire voorzieningen nog ontbraken. Het gebrek aan bouwmaterialen remde de bouwsnelheid. Dat weerhield de bouwleiding er ook van om semi-permanente legeringsgebouwen te plaatsen, omdat het benodigde hout simpelweg niet in Nederland voorhanden was. Baksteen was beter verkrijgbaar. Voor de vloeren, kozijnen en daken was natuurlijk ook hout nodig, maar dat werd in het Duitse Reichswald gekapt. Het geeft een idee van de moeilijkheden waarmee men in de eerste maanden na oorlog kampte. Bij de bouw van het legerkamp was haast geboden, terwijl het economische leven nauwelijks op gang kwam en de wederopbouw van het leger door allerlei omstandigheden nogal ‘rommelig’ verliep.
Toch kwamen in november 1946 de eerste militairen aan op het kamp: de lichting ’46, voorbestemd om het 4e bataljon van het 7e Regiment Infanterie (4-7 R.I.) te vormen. Zij werden ondergebracht in de enige afgebouwde barakken, waarvan een deel door het gebrek aan faciliteiten alweer moest worden verbouwd. Een zogenoemde Romney-hut deed dienst als keukengebouw. Een andere loods huisvestte de bioscoop/toneelzaal. Het was niet genoeg, want een deel van het kader vond onderdak op een complex bij Vliegveld Eindhoven. Het bataljon vertrok op 14 februari 1947 naar Nederlands-Indië. In de jaren daarna werden voortdurend nieuwe lichtingen ‘Indiëgangers’ klaargestoomd, soms afgewisseld door territoriale eenheden.
Het is een terugkerend thema: weer was haast geboden. De kazernes werden overspoeld door Indiëgangers. Zij moesten allemaal ‘op herhaling’ om hen de kneepjes van de reguliere oorlog bij te brengen. Op 15 februari 1951 moest alles klaar zijn. Inderhaast werden demontabele noodgebouwen uit de Oirschotse grond gestampt om zo snel mogelijk te kunnen beginnen met de herhalingsoefeningen. Het lukte, maar alleen ten koste van grote sommen geld en een enorme inspanning. De legerplaats werd in gebruik genomen als ‘zomerkamp’, maar in juli 1951 volgde de opdracht om het complex eveneens geschikt te maken voor een winterverblijf. Opnieuw kwam er een nieuwe bouwfase op gang.
In 1969 werd de legerplaats herdoopt tot de Generaal-majoor De Ruyter van Steveninckkazerne. Het was een eerbetoon aan de commandant van de Koninklijke Nederlandse Brigade ‘Prinses Irene’ tijdens de oorlog. In datzelfde jaar onthulde zijn weduwe een borstbeeld van haar in 1949 overleden echtgenoot. Zo ontstond de band tussen het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene (GFPI) en de kazerne bij Oirschot. In 1992 kwam 17 Pantserinfanteriebataljon GFPI vanuit Schalkhaar naar Oirschot, waarmee die band nog hechter werd, vooral als men bedenkt dat de Prinses Irenebrigade in oktober 1944, op exact dezelfde plaats als de tegenwoordige kazerne, voortdurende mortierbeschietingen vanaf de noordoever van het Wilhelminakanaal moest ondergaan.
Nederlands Instituut voor Militaire Historie
S.R. Maaskant MA
Den Haag, 7 november 2011



