TRowwen Hze, een leven in de marge.
(Limburgs Museum)
(Bron: Maasgouw 4-2000)
(Tekst: Wim Moorman)
 
' lat meej mar drinke wat ik drink - lat ze mar proate oaver meej - lat ze mar zegge dat ik stink - dat giet vanzelf wal wir vurbeej '
 
Rowwen Hze over Rowwen Hze. De eerste (de band) behoeft nauwelijks introductie, de tweede (de persoon) wellicht meer. De in het dialect zingende band, die in het Horster kerkdorp America haar thuisbasis heeft, viert al meer dan vijftien jaar triomfen op binnen- en buitenlandse podia. Maar wie was de man naar wie de groep vernoemd is? Heeft hij eigenlijk wel echt bestaan en zo ja,
berusten de verhalen die over hem verteld worden op feiten of zijn ze, al dan niet gedeeltelijk, verzonnen? De vraag of Rowwen Hze echt heeft bestaan, is zonder veel moeite te beantwoorden. Als men eenmaal weet dat Rowwen Hze de bijnaam was van de op 19 mei 1853 in Horst geboren Christiaan Hesen, is een aantal andere feitelijke gegevens over zijn leven vrij eenvoudig te achterhalen.
Zo was zijn vader, Jan Hesen, dagloner. Christiaan diende van 8 mei 1873 tot 21 mei 1874 als militair in het tweede regiment infanterie. Uit het lotingsregister van de lichting 1873 valt op te maken dat hij 1,61 meter lang was en een rond aangezicht, een hoog voorhoofd, grijze ogen, een dikke neus, een ronde kin en bruin haar had. Op 30 november 1883 huwde hij in Horst met de op 30 juli 1856 in Roggel geboren Maria Gertruda Scheeres. Waarschijnlijk kort daarna verhuisde het echtpaar naar America, een op vijf kilometer van Horst gelegen gehucht aan de rand van de Peel dat toen juist tot ontwikkeling begon te komen. Tussen 1884 en 1893 kreeg het echtpaar drie dochters en twee zoons. In 1896 overleed de echtgenote van Christiaan. Hij zou daarna nog tot 1929 in America blijven wonen.

Aan het eind van dat jaar verhuisde hij samen met zijn jongste dochter Nel en haar echtgenoot Willem Klinkenberg naar Tegelen. Daar overleed Christiaan op 5 februari 1947 's avonds om half twaalf op 93-jarige leeftijd. Op het eerste gezicht is dit een leven als zoveel andere. Niets blijkt echter minder waar. Het succes van de band had tot gevolg dat in enkele recente publicaties ook de man naar wie ze vernoemd is, aandacht kreeg. Zelf bracht de band op de in 1993 verschenen cd Station America op tekst en muziek van Jack Poels een nummer uit over de persoon. Uit dit lied en in mindere mate uit de recente publicaties rijst het beeld op van een tot de verbeelding sprekende zonderling, die in de eenzaamheid van de Peel bewust zijn eigen leven leidde, niet afhankelijk van wie dan ook. De publicaties en het lied hebben met elkaar gemeen dat ze voornamelijk zijn gebaseerd op herinneringen en mondelinge overlevering en niet of nauwelijks op archivalia. Opzet van deze bijdrage is om op basis van archiefonderzoek na te gaan of het bestaande imago van Christiaan Hesen aanpassing behoeft. Nadrukkelijk dient echter vermeld te worden dat dit archiefonderzoek niet uitputtend is. Wel biedt het meer dan voldoende aanknopingspunten voor een heuse biografie van Christiaan Hesen. Want zoveel is duidelijk: zijn opmerkelijke leven is het waard om tot in de kleinste details bestudeerd te worden.
 
De overlevering
Het beeld dat tot dusverre van Christiaan Hesen in de openbaarheid is gekomen, is voornamelijk gebaseerd op herinneringen van vier voormalige buurtgenoten: Bert Poels, Frans Litjens, Hand Litjens en Grad Poels.
 
Als kind maakte de angstaanjagende uiterlijke verschijning van de man een onuitwisbare indruk op hen. Bert Poels: 'In zijn jonge jaren had hij bij het kappen van hout zijn rechter oog verloren en de lege oogholte, die altijd vol stof en ongedierte zat, joeg alle kinderen in de buurt schrik aan.' Dat Hand Litjens meent dat het om het linkeroog ging en dat Christiaan het niet verloor bij het kappen van hout maar door een vallende steen bij werk in de bouw, doet hier minder ter zake.

Feit is dat hij er niet mee naar een arts was gegaan, waardoor iedereen in een lege, zwerende oogkas keek. Hand Litjens herinnerde zich verder dat Christiaan altijd kapotte kleren droeg. Zijn broek werd opgehouden met ijzerdraad. Bovendien zaten er grote gaten in die een onbelemmerd uitzicht op zijn geslachtsdelen boden. Uit de herinneringen van zijn buurtgenoten blijkt dat Christiaan bepaald geen fijnzinnig type was. Hand Litjens: 'Als hij 's morgens opstond, was het eerste dat Hesen deed in de put plassen. Uit dezelfde put
haalde hij het water om te drinken. En hij waste zich nooit ofte nimmer. Die oude man was zo afschuwelijk vies.' Christiaan had de gewoonte om pruimtabak te kauwen en het tabakssap om de paar minuten met een flinke straal uit te spugen. Als iemand daar iets van zei, liet Christiaan het tabakssap door zijn stoppelbaard naar beneden drijven in zijn gulp.
 
Volgens Bert Poels stonk hij zo verschrikkelijk dat in de kerk niemand naast hem wilde zitten. De levenswijze van Christiaan was bepaald onconventioneel. Frans Litjens: 'Rowwen Hze groef bij boeren de dode beesten op die aan een of andere ziekte gestorven waren. Je mocht het vlees dan niet meer eten, maar hij at het wl.' Volgens Grad Poels nam hij soms dode kippen mee die hij op boerenerven vond. Bert Poels: 'Hazen en konijnen die hij met zijn valstrikken in de Peel had gevangen, stopte hij eerst veertien dagen in de grond voordat hij het vlees gebruikte.' Christiaan bewoonde aan de rand van de Peel een hut die was opgetrokken van heideplaggen. Frans Litjens kwam er eenmaal binnen. Hij trof geen deur aan maar een jutezak die voor de deuropening hing. In de hut lag geen vloer, maar gewoon zwart zand. Volgens Grad Poels vormde de plaggenhut voor de gemeente Horst een steen des aanstoots:
'Het liefst wilde de gemeente de Rowwen Hze eruit zetten, maar dat durfde ze niet. En hem een huis midden in het dorp geven, durfde ze al helemaal niet.'
 
Vast werk schijnt Christiaan niet te hebben gehad. Bert Poels: 'Hij behoorde bij dat kleine groepje mensen uit de Peel, dat zich in de wildernis had teruggetrokken en niets moest hebben van de leefregels in de beschaafde wereld. Niemand kon precies zeggen waar deze mensen van leefden, maar er is er nooit een van honger gestorven. Ook de Ruwe Heezen vond in de Peel altijd wel iets dat hem
smaakte.' Frans Litjens herinnerde zich dat Christiaan voor anderen wel eens turf stak, een lemen vloer aanlegde of een put maakte. Ook liet hij zijn bok geiten van anderen dekken. Het weinige geld dat hij verdiende, ging op aan drank. Hand Litjens: 'Na de hoogmis om tien uur 's morgens ging Hesen meestal naar het caf van Heldens Grad of van Kloas Kennis. En als wij dan 's middags naar het lof gingen, vonden we hem vaak liggend in de slootkant. Met een flink stuk in de kraag.' Bert Poels: 'Menigmaal werd hij door veldwachter Snijders opgepakt wegens openbare dronkenschap en in het spuitenhuisje van de brandweer ingesloten om zijn roes uit te slapen.'
 
Hoezeer Christiaan ook afweek van de gangbare normen en waarden, volgens zijn voormalige buurtgenoten was hij geen  verschoppeling. Bert Poels: 'Ondanks alles hoorde ook de Ruwe Heezen bij de kleine gemeenschap van de Zwarte Plak.' Hand Litjens: 'Als buur kon je je echt geen betere wensen. Hij stond altijd voor je klaar.' Grad Poels: 'Hij legde niemand een strobreed in de weg.' Dat hij niet verstoten werd, kwam mede omdat hij bloed kon stelpen, pijn bij brandwonden wegnam en uitkomst bood als iemand
zijn enkel of pols had verstuikt. Bert Poels: 'Als iemand een ongeluk had gehad op het land of zich thuis had verbrand, werd snel iemand naar de Ruwe Heezen gestuurd en geen minuut later was het slachtoffer van zijn pijn bevrijd.' De hulp van Christiaan werd ook ingeroepen als er een bevalling op handen was. Hand Litjens: 'Als er iemand een kindje kreeg, moest de aanstaande vader de
vroedvrouw in Horst halen met paard en wagen. Omdat de mensen in de Peel bang waren voor heksen en spoken, vroegen ze of de Rowwen Hze meeging. Die was nergens bang voor.'

Het archiefonderzoek
De vier buurtbewoners die in grote mate verantwoordelijk zijn voor het bovenstaande beeld van Rowwen Hze, zijn alle vier in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw geboren. Omdat Christiaan in 1929 van America naar Tegelen verhuisde, betekent dit dat zij hem alleen hebben gekend tussen ruwweg zijn vijftigste en vijfenzeventigste levensjaar. Bovendien zijn hun herinneringen meer dan vijftig jaar na dato opgetekend. Om te achterhalen of de periode waarin zij Christiaan gekend hebben, een logisch vervolg op of juist een breuk met de eerste vijftig jaar van zijn leven vormt, zijn we aangewezen op andere bronnen. Andere bronnen kunnen de beweringen van de voormalige buurtgenoten ook op waarheid toetsen. De suggestie van de buurtgenoten als zou Christiaan iemand zijn van twaalf ambachten, dertien ongelukken, lijkt niet ver bezijden de waarheid. Bij de aangifte van de geboorte van zijn vijf kinderen wordt hij afwisselend aangeduid als dagloner, arbeider en akkerman. Vast staat dat hij ook in de (wegen)bouw als opperman heeft gewerkt. Volgens een kleindochter zou hij hebben meegeholpen bij de bouw van de lagere school (1888) en de kerk in America (1891). Aanwijzingen dat hij gedurende langere tijd vast werk heeft gehad, zijn er niet. Dat Christiaan zo nu en dan stroopte om in het levensonderhoud van hemzelf en zijn gezin te voorzien, is evenmin onwaarschijnlijk. Verbaliseringen in 1874 en 1875 wegens overtreding van de jachtwet wijzen daar althans op. In 1875 werd hij voor dit strafbaar feit door de kantonrechter in Horst zelfs veroordeeld tot drie dagen hechtenis. Het overmatig drankgebruik lijkt geen gewoonte die Christiaan pas op latere leeftijd
ontwikkelde. Daarvoor zijn verschillende aanwijzingen. Zo bracht hij in 1878 in een dronken bui de tienjarige Petronella van Helden een vuistslag tegen het hoofd toe, waardoor het meisje met haar hoofd tegen een karrewiel viel. De arrondissementsrechtbank in Roermond veroordeelde hem voor dit feit tot drie dagen hechtenis, waarbij zijn dronkenschap als verzachtende omstandigheid werd
aangemerkt. Uit 1882 en 1901 zijn verbaliseringen bekend wegens openbare dronkenschap. Een verder bewijs van zijn drankzucht is te vinden in de archieven van het burgerlijk armbestuur van Horst. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat Christiaan tussen 1898 en 1901 vanwege zijn drankmisbruik diverse malen ondersteuning genoot van deze weldadige instelling. Indicaties dat de deplorabele woonomstandigheden van Christiaan geen fictie zijn, zijn er eveneens voldoende. De Nieuwe Venlosche Courant sprak over een 'getimmer' dat onbewoonbaar verklaard zou moeten worden. Raadslid G. van Daal meende stellig dat dit 'vol ongecijfer' zat. In 1910 verzocht de in Venray zetelende gezondheidscommissie de gemeente Horst de behuizing van Christiaan onbewoonbaar te verklaren. Het gemeentebestuur voelde er meer voor om de hut en de bijbehorende grond te verkopen, omdat Christiaan de koopsom van honderdtwintig gulden nog niet aan de gemeente betaald had. Aan herhaalde verzoeken om dit voorstel te bespreken met burgemeester J. Houba en wethouder J. Drabbels gaf Christiaan geen gehoor. Wethouder Drabbels ontleende hieraan de indruk dat
Christiaan zijn hut niet uit eigen beweging zou verlaten en de gemeente hem er dus uit zou moeten zetten. Drabbels toonde zich hier geen voorstander van en stelde de gemeenteraad voor het krot opnieuw in steen op te bouwen op voorwaarde dat Christiaan het in eigendom aan de gemeente zou overdragen. De gemeenteraad en ook Christiaan gingen hier in 1911 uiteindelijk mee akkoord, hoewel raadslid X. Thomeer meende dat als Hesen een nieuwe woning zou betrekken, het binnen de kortste keren weer van hetzelfde laken een pak zou zijn. Thomeer zou daarin wel eens gelijk kunnen hebben gehad, want het lijkt onwaarschijnlijk dat de herinneringen van zijn vier buurtgenoten alleen gebaseerd zijn op hun vroegste jeugd. Zeker is in elk geval dat Christiaan omstreeks 1920 is ingetrokken bij  zijn jongste dochter Nel. Zij woonde met haar echtgenoot Willem Klinkenberg in een optrekje op de Vossenheuvel (gelegen aan de huidige Zwarte Plakweg) dat in een register van huisnummering als 'planken hut' omschreven werd. Wat in de herinneringen van zijn buurtgenoten onderbelicht is gebleven, is het onvermogen van Christiaan om voor zijn gezin te zorgen. Toen zijn echtgenote in 1896
stierf, bleef hij alleen achter met vijf kinderen die in leeftijd varieerden van twee tot elf jaar. De opvoeding van vijf jonge kinderen, gecombineerd met de zorg voor het levensonderhoud, moet een verantwoording zijn geweest die hij niet aankon. Dit zou er in 1899 toe leiden dat alle kinderen uit huis werden geplaatst. Directe aanleiding tot deze ingrijpende maatregel was dat Christiaan
zijn twaalfjarige dochter Anna Catharina Maria Hendrina en zijn tienjarige zoon Pieter Jan had aangezet tot het stelen van brandstoffen. In de winter van 1899 betrapte de in America gestationeerde veldwachter Hendrik Jozef Snijders de kinderen tot drie keer toe, twee keer bij het stelen van turf en een keer bij het stelen van twee palen uit de omheining van een weiland. Tegenover de
veldwachter verklaarden de kinderen dat ze handelden in opdracht van hun vader.
 
Hij stuurde hen er dagelijks op uit om brandstof weg te halen omdat hij niets te stoken had. Volgens Snijders leidde deze frequente diefstal tot vele klachten. Slechts zelden viel echter te bewijzen dat de kinderen van Christiaan de daders waren. Bovendien werden de diefstallen door de gedupeerden vaak verzwegen uit medelijden met Anna Catharina Maria Hendrina en Pieter Jan. Beide kinderen
werden in Roermond in bewaring genomen. Voor de rechtbank verklaarden ze dat ze wel geleerd hadden dat stelen niet mocht, maar dat hun vader het hen niet verbood. Veldwachter Snijders voegde aan zijn eerdere verklaringen nog toe dat Christiaan mede omdat hij veel dronk slecht voor zijn kinderen zorgde. Aangezien beide kinderen nog geen zestien waren, ontsloeg de rechtbank hen van verdere rechtsvervolging, maar gelastte tevens dat ze tot hun achttiende in een rijksopvoedingsgesticht werden geplaatst. Pieter Jan ging in mei 1899 naar een gesticht in het Overijsselse Avereest, Anna Catharina Maria Hendrina naar een gesticht in het Utrechtse Montfoort. De overige drie kinderen werden drie maanden later van hun vader gescheiden. Toen Pieter Jan na zijn achttiende weer
bij zijn vader introk, zette Christiaan hem opnieuw tot stelen aan. Pieter Jan ontvreemdde spoorbielzen die zijn vader vervolgens gebruikte als brandhout. Ook repareerde hij er de vloer van zijn hut mee. Uit een getuigenverklaring van Johanna Mathilda Kleuskens blijkt dat Christiaan zijn zoon beloonde voor de diefstal. De vrouw had de vader althans eens tegen zijn zoon horen zeggen: 'Dat
is een mooie, voor ieder bils die gij thuis brengt, geef ik 3 sigaren.' De rechtbank veroordeelde Christiaan wegens heling tot twee maanden gevangenisstraf. Met Pieter Jan zou het nog slechter aflopen. Nadat hij in 1912 een stuk bos in America in brand had gestoken, werd hij krankzinnig verklaard. Op 3 september 1912 verleende de arrondissementsrechtbank in Roermond machtiging om hem te laten opnemen in een gesticht. Na twee maanden in een inrichting in Medemblik te hebben doorgebracht, werd Pieter Jan eind 1912 overgebracht naar het Sint-Servatiusgesticht in Venray. Daar zou hij op 6 augustus 1918 komen te overlijden.

Evaluatie
' gen gezeik gen probleem - of ik wat mier of minder neem - of wat zuj ik vandaag nog motte eate - ik heb alles bij de hand - mien eige zon mien eige land - miene boem mien wolke en mien sterre .'
Als overlevering en archivalia n ding duidelijk maken, dan is het wel dat in bovenstaande regels uit het nummer van Rowwen Hze over Rowwen Hze, het leven van Christiaan Hesen sterk wordt geromantiseerd. Men zou er uit op kunnen maken dat hij een idealist of vrijgevochten figuur was, die uit vrije wil voor een afwijkende levenswijze koos. Dat dit niet overeenkomstig de feiten is, tonen alleen al de herinneringen van zijn voormalige buurtgenoten. Hun beweringen worden ondersteund en zelfs versterkt door het archiefonderzoek en blijken geen fictie. De tragiek en dramatiek die het leven van Christiaan Hesen kenmerken, gaan in de herinneringen van zijn buurtgenoten echter enigszins schuil. De geraadpleegde archiefbronnen werpen hier een veel helderder licht op. Gedurende zijn hele leven verkeerde Christiaan op de rand van het bestaansminimum. Dit vormt wellicht mede een verklaring voor het feit dat hij regelmatig kleine vergrijpen pleegde. Dat hij zijn toevlucht zocht in de drank en dat hij niet in staat was om voor zijn
kinderen te zorgen, maakt zijn lot alleen maar triester. De enige die hem in het gareel schijnt te hebben kunnen houden, was zijn echtgenote. Het is immers opmerkelijk dat in de dertien jaar dat hij met Maria Gertruda Scheeres gehuwd was, er geen aanwijzingen zijn van excessief gedrag van Christiaan. Bezien in een breder perspectief past het bestaan van Christiaan Hesen in het beeld dat
H.H.J. Maas (1877-1958) in diverse romans heeft geschetst van het leven in de Peel omstreeks 1900. Maas trok ten strijde tegen de romantische voorstelling van het eenvoudige en vredige volksleven in de traditionele literatuur. In zijn romans over de Peel voeren schrijnende armoede, drankmisbruik, vechtpartijen, onderontwikkeling en ruwe omgangsvormen de boventoon. Voor de beschrijving van de hutten in zijn woonplaats door Karel van Leeuwen, de hoofdpersoon in Om de school, een roman uit den schoolstrijd (1913), zou de plaggenhut van Christiaan Hesen model gestaan kunnen hebben: 'Er was geen vloer in die huisjes, de lage vertrekken hingen vol stank, stoelen ontbraken er, de mensen zaten er op kisten of een baktrog, het zag er alles vuil en vettig uit. Een walging steeg hem naar de keel, als hij de vieze slaapstee zag, met een hoop rommel en vodden als beddegoed, in een vertrekje vol vochtige, zwammerige, muffe lucht, van vee, veevoer, mest en vuil water, op de 'voorstal' of achter de 'goot'. Het bedstro, dat er jaren bleef zitten en door de muizen was kort geknabbeld, was door vocht en onder de lijvenzwaarte gelegen tot een vaste massa. De ratten sprongen over het bed heen. De mensen zagen er even verslonsd uit, aten vies en spraken dom en ruw. Hij zag midden op de tafel een pot met eten staan, allen aten daaruit en praatten met volle kauwmonden over koeien en varkens.' Deze beschrijving mag dan
gefingeerd zijn, de trieste realiteit van het leven van Christiaan Hesen toont duidelijk aan dat er geen enkele aanleiding is het leven in de Peel van een eeuw geleden te idealiseren of te romantiseren.