Home SRLJ Nieuws Terug in de jaren vijftig.

Terug in de jaren vijftig.

AddThis Social Bookmark Button

Geschreven door PC. F. Augustus. Mortierpeloton 16PainfBat, A-Cie

16e bat inf. RLJ: Anders en ook beter...

Kennismaking.
We schrijven juni 1957 als een nerveuze kersverse vaandrig de legerplaats Oirschot binnenstapt. Stafbureaus aflopen, in de houding, zich voorstellen, Vervolgens mag hij "op zijn gemak gaan staan".

 

Bij aankomst in de gebouwen van het 16e proef je meteen een wat gemoedelijkere sfeer. Vooral als je beland bij je nieuwe ciescommandant. Een fidele man met rood haar, dus meteen goed herkenbaar. Hij heet Knol, ook al geen moeilijke naam. Hij stelt je voor aan je mortierpeloton, dat argwanend het nieuwe vlees in hun kuip alvast probeert te taxeren. Al snel is het lunchtijd. In de officiersmess druppelt een heel arsenaal aan nog onbekende hoge en minder hoge pieten binnen. Dat is weer een zenuwentoestand: wie heb ik nou gehad en wie niet? Met een rood hoofd maak ik verschillende doublures. Och, aan een overslag wordt gelukkig niet zwaar getild. Op één uitzondering na. Het blijkt later dat ik een Indië-veteraan, een kleine majoor van het 17e, over zijn hoofdje heb gezien. Ik zie hem niet zo vaak, maar bij onvermijdelijke confrontaties ben ik kwalijke lucht voor hem. Een half jaar lang. Daarna zat mijn straf erop…

Kazerneleven.
De kazernedienst is het gewone patroon van lessen, drillen, exercitie, inspecties en vooral poetsen. In de stenen pelotonsonderkomens hangt tussen de stapelbedden met de "wolletjes" de geur van "blenco" (legergroene pasta), OX-52 (wapenolie) en koperpoets. Om deze laatste producten nog meer reden van bestaan te geven, heeft onze ciescommandant een soort extra bevuilingsactie bedacht. Rond het kazerneterrein loopt een gesloten riool van een kleine twee meter doorsnede. Op regelmatige afstanden ligt bovengronds een afdekrooster. Hier daalt hij af en zijn cie kruipt door het prut in de betonnen buizen, binnensmonds vloekend, achter hem aan. Ondanks meermalen douchen hangt er na afloop enige tijd nog een bekakt luchtje rond de alfacompagnie…
Op andere momenten moeten we er picobello opstaan. Het 16e is erg gewild bij parades en dergelijke. Zoals op Koninginnedag in Eindhoven. 
 
Of we worden zelfs gevraagd voor de uitvaart van een hoge legeroom in Den Haag. Hiervoor hebben we de begrafenispas ingestudeerd: eerste pas vooruit, tweede en volgende stappen even inhouden naast de voet op de grond en zo verder. Dit op de langzame maat van een ook ingedeelde militaire kapel. Probeert U maar eens. Dat is om de drommel geen sinecure, eer je ’t weet ga je waggelen. Voor het publiek langs de route een merkwaardig gezicht. Helemaal potsierlijk wordt het als het muziekkorps voor je 'n hoek omgaat en hun klanken weerkaatsen tussen de hoge gevels. Onder die omstandigheid hadden we niet geoefend. Op slag zijn we daar in Den Haag dan ook het marsritme kwijt en de toeschouwers hun plechtige ernst. Ons voorbijtrekken krijgt op zo’n moment een hilarisch carnavalstintje…

Alarmoefening
Af en toe moeten we bliksemsnel de kazernepoort uit. Met de hele bubs naar het bataljonsverzamelgebied in de bossen bij Son. Vermoedelijk is deze plek gekozen omdat de vijand hier niet te verwachten valt, want vlak in de nabijheid ligt het bekende grote destructiebedrijf van dierenkadavers. De stank is, vooral bij oostelijke wind, niet te harden. Gelukkig wordt deze noodsituatie na enkele uurtjes weer afgeblazen en zijn we terug op onze vaste stek.
Je wist in die tijd maar nooit wat achter het ijzeren gordijn allemaal bekokstoofd werd. Vlak voor ik bij het 16e opdook was het even goed raak. De Hongaarse opstand. Groot alarm ook in ons land. Ook ons bataljon stond binnen de kortste keren, bepakt en gezakt en stijf van de zenuwen, klaar om op NAVO-bevel naar het oosten op te rukken. Dat duurde wel even en na een paar dagen moesten de zwaar beladen munitievoertuigen met blokken ondersteund worden: de assen begonnen door te zakken. Zoals we weten, klaarde de oorlogsdreiging tenslotte op en werd de actie afgeblazen.
Onze S2, belast met de bestrijding van spionage, verraad en Russische infiltratie heeft in die tijd natuurlijk een uiterst belangrijke hoge functie. De kleine maar kittige majoor bouwt op dit gebied zelfs een gevreesde reputatie op. Hoezo? Voorbeeld. Onze cie komt terug van een weekendverlof. Paniek op de burelen van onze SMA. Er zijn plots allerlei papieren foetsie. Standaard rapport wordt opgemaakt en daarmee naar de S2. Die hoort de gedupeerden zwijgend aan, trekt een la open en legt kalm de vermiste documenten voor zich neer. Even later kunnen de SMA en zijn assistenten, met een ingetrokken weekendverlof en de staart tussen de benen, aftaaien. De feiten? Tijdens het weekend sloop de S2, in zijn vrije tijd een fervent visser, met een hengel rond het gebouw van onze cies-staf en bespeurde een half openstaand tuimelraampje. U raadt het al: even later had hij een aantal "dienstgeheimen" aan de haak…
Zo herinner ik me verder een wachtincident, waarbij deze volijverige majoor ook betrokken was. Vrijwel iedere soldaat staat van tijd tot tijd op wacht. Zo ook de chauffeurs. Maar door hun speciale functie staat hun schietopleiding op een laag pitje. Als de wachtcommandant heel af en toe deze piefen op zijn brood krijgt, geeft het vaak geklungel. Ze krijgen dan ook tevoren extra instructie. Op zo’n avond loopt onverwacht de S2 eens belangstellend binnen. Neemt even de les over.
"Wapenveiligheid is, mannen, van groot belang," verklaart hij gewichtig. "Geef jij je garand eens hier. Zo, let op." Hij zet het wapen rechtop op tafel. "Laden. Veiligheidspal controleren. Dit nooit vergeten! Zo. Als je nu de trekker …" Twee, drie enorme knallen!!! Uit een groot gat in het plafond komt een regen van cement en gruis. Een plots grijze, naar paars verkleurende grootmajoor. Vooral als in de verbaasde stilte proestende geluiden hoorbaar zijn…
De casus quo? Zoals heden ten dage beroepschauffeurs in lege uren prutsen met de tachograaf, zo bekeken toen hun dienstplichtige collega’s kritisch hun persoonlijk wapen. Ze ontdekken dat 'n garand meer mogelijkheden heeft dan enkel schot voor schot vuren. Wanneer je de veiligheidspal wat afvijlt krijg je een soort mitrailleur. In de praktijk is dit nu wel duidelijk bewezen. Onze S2 spoort de uitvinders op en nomineert hen niet voor de Nobelprijs maar voor een enorme "douw".

Ontspanning en feest.
Na de dagelijkse dienst is er de kantine, de onderofficiersmess of het "sterrenrestaurant" van de officieren. We drinken een biertje voor 25 of een goede borrel voor 35 cent. Zo nu en dan barst daar een georganiseerd feest los. Ook dan geldt de militaire hiërarchie: de soldaten worden uitgenodigd met hun vrouwen, de onderofficieren met hun echtgenoten, de officieren met hun dames. De muziek wordt respectievelijk verzorgd door een bandje, een orkestje of een strijkje. Voor de soldaten verrijst een grote tent. Daar de meeste dienstplichtige soldaten nog in de scharrelperiode verkeren, wordt er voor hen tevoren in Eindhoven een soort kippenwervingscampagne gevoerd. Op publicatieborden in de Philipsfabrieken worden meisjes uitgenodigd voor het feest. Vrijgezelle onderofficieren worden op een hoger niveau voorzien van danspartners middels een soortgelijke actie in de plaatselijke ziekenhuizen. De respons is, ook door mond-op-mondreclame, ruim voldoende. Gratis drietonnervervoer vanaf het station naar de feestlocatie. Echter: buiten een aangeleund luchtje happen is er ’s avonds niet bij. De MP bewaakt de tent. De kampcommandant heeft deze voor de gelegenheid ingehuurd, maar niet als uitsmijters. Dat waren in feite dus insmijters. Om half elf uur taptoe. Naar huis brengen van de scharrelkippetjes is alleen weggelegd voor onze chauffeurs. Met een vette grijns helpen zij hun kakelende lading in de bak van hun YP 328.
 
Met kerst en oud-op-nieuw is telkens één helft van het bataljon paraat. Rustige dagen. Ja, had je gedacht!
Onze S3 ziet het nietsdoen met lede ogen aan en bedenkt een onzalige actie. Op eerste Kerstdag ’s avonds laat, plotseling groot alarm voor het voetvolk. Binnen een half uur staat iedereen in veldtenue, behelmd, bewapend, met volle plunjezak op de appèlplaats. Voorwaarts mars! De Oirschotse hei op. Het is wel geen witte, maar toch een ijskoude nacht. Balen en afzien. Op de stille bevroren heide geen vrede op aarde of herders die slapen bij nachte. In plaats van engelenkoren een "godverdomme!" van voortploegende infanteristen. Zeulend met die verrekte plunjezak. Ver na middernacht is er toch nog een gedempt "gloria in excelsis deo". We zijn weer terug het militaire Bethlehem.
Oud op nieuw wordt uitbundiger gevierd. Niet met vuurwerk. Nu de Russen zich gedeisd houden, kun je niet het risico lopen zelf je legerplaats in de lucht te laten vliegen. Dan sta je internationaal echt voor paal. Maar binnenskamers wordt een stevig glas gedronken. Met alle gevolgen van dien. Een uit flinke kluiten gewassen overste, lid van het messbestuur, kruipt, aangemoedigd door een verhitte supporterstribune en overmoedig door champagneconsumptie, op handen en voeten onder het biljart. Kreunend verplaatst hij dit gevaarte op zijn rug naar de bar. Na deze actie wordt de geweldenaar in deplorabele toestand, maar onder groot gejuich van de omstanders, door gealarmeerde hospikken afgevoerd.
Eveneens blauw, maar dan van de kou, is even later de bataljonsarts. Deze dienstplichtige genezer wordt in geheel ontklede toestand buiten waargenomen temidden van de zwanen in de grote vijver vóór het messgebouw. Zijn bedoelingen zijn niet helemaal duidelijk, maar kennelijk ook het gevolg van een cocktail van overmoed en champagne. 
 
Door verbaasde toeschouwers achter de ramen van de mess gadegeslagen, spreekt hij de hem omringende zwanen minzaam toe, inclusief de beste wensen voor het nieuwe jaar. Om vervolgens weer naar de oever te waden. Alwaar hij door enkele toegesnelde messbedienden met hun serveerdoekjes wordt afgedroogd, met een tafellaken wordt omhangen en op zijn kamer in het officiershotel opgeborgen.

Meerdaagse oefeningen.
Dergelijke feestjes zijn uitzonderingen, de harde praktijk bij het 16e is wel even anders. Regelmatig zijn we een of meerdere dagen, zelfs weken op oefening. Niet met tegenzin. Echte actie in ruig terrein zit in onze naam Limburgse Jagers verankerd.
Zo herinner ik me de oefening "Kleine Oorlog".
Een groepsinfiltratie (acht man) van enige dagen ergens in Brabant. Dit is echt afzien. Verplaatsingen alleen ’s nachts. Rust word je ook overdag nauwelijks gegund. Talloze keren door beken, plassen, moerassig land. De vijand, ingelicht door de oefeningleiding, weet steeds weer waar we zo ongeveer zitten. Losse floddergevechten bij onverwachte confrontaties. Omtrekkende bewegingen maken. In het stikdonker achter grote boerderijen langs. Een hek over en dan belanden in stinkende modder tussen een peloton varkens in ruste. Mijn sten (het persoonlijk wapen van een pc) ontglipt me. Tot aan mijn schouders in de prut voelen. Hebbes.
In ganzenpas over een spoordijk. Plots horen we achter ons het gepuf van een locomotief. Zwak koplamplicht boort zich door de duisternis. Aan beide zijden van de dijk een diepe gracht. Dit wordt linke soep! Ik zeg mijn mannen om met de rug naar de rails, voorovergebogen, tegen het steile talud te gaan zitten. We zweten peentjes als even later de goederentrein met zo’n vijftig wagons vlak achter ons langs dendert.
Ook overdag moet je uiterst attent blijven. Vooral rond etenstijd. Dat zijn de momenten dat de "roden" bij voorkeur aanvallen en je warme hap proberen buit te maken. De derde oefendag wordt geen noodpakket verstrekt. Bij een vaderlandslievende boer moeten we zelf in de wei ons voedsel gaan vangen. Een uitbundige en ongekende moordlust breekt tussen de daar scharrelende kippen los. Geen jachtwapens: blote handen. In onze schuilplaats wordt het onthoofde "wild" daarna bliksemsnel geplukt, geschoond en aan de bajonet geregen. Terwijl het gevogelte boven een houtvuurtje gaart, plas ik even wild aan de rand van ons dennenbosje. De heide vóór me zindert in de warme zon. Hé, wat is dat? Kleine dennenbosjes, die zich langzaam door de heide verplaatsen. Ik ren terug. Alarm! Bliksemsnel de halfgare kippenbouten en hompen boerenbrood in een kuil. Met dennennaalden afdekken en in stelling aan de bedreigde bosrand. Net op tijd. Want dan vliegen bij wijze van spreken de losse flodders vriend en vijand al om de oren. Even later verklaart een plots opduikende oefenleider de aanval afgeslagen. De "roden" druipen teleurgesteld af en wij kluiven tenslotte toch nog voldaan op gebraad met een vleugje dennensmaak. Kleine Oorlog; Een oefening met afzien, het nemen van initiatief en risico's. Vooral ook van slaapgebrek.
Na terugkomst in de legerplaats val ik dan ook volkomen uitgeteld in bed. Op vrijdagmiddag. Wanneer ik uiteindelijk weer wakker word is het op mijn horloge zeven uur. ’s Morgens of ’s avonds? Even later in de mess kijkt een messbediende me argwanend aan en verklaart aarzelend dat het zaterdagavond is… 


 
 

 

 

Sennelager
In dit Duitse kamp zijn de bataljonsoefeningen heel wat minder inspannend. Uitgebreide bevelsuitgiftes, rustig oprukken of urenlang in de zon liggen in verdedigingslinie. Veel camouflagetraining. In vrije uren kun je soms onze cc zien zitten in een nabij stromend beekje. In adamskostuum een pocketboekje lezend. In de weekends een bezoekje aan Paderborn of Detmold. 
 
Meer spanning en actie is er in en rond ons voertuigenpark. Dit blijkt erg in trek bij omwonende Duitsers. Toen was aldaar brandstof nog duur en mondjesmaat verkrijgbaar. Daarom sluipen in de avond- en nachtelijke uren duistere figuren met slangetjes en jerrycans richting wagenpark. Rap verdriedubbelt ons 16e dan ook de bewaking, zodat een extra aantal Jagers hun nachtrust moet opofferen voor de jacht op brandstofdieven. Geen probleem. Dit is pas echte actie! Ook al moeten ze, volgens instructie, de betrapte onverlaten na inname van hun aftapmateriaal gewoon naar huis sturen. Zware straffen zijn trouwens niet mogelijk, want je kunt vluchtende criminelen moeilijk met losse flodders in hun kont schieten…

Vijlen
De winterse bataljonsoefening in de bossen rond het Zuid-Limburgse Vijlen is echter weer andere koek. Gladheid, ijzige kou, sneeuw. ’s Morgens word je in je sheltertje half kreunend wakker, zit de rits van je slaapzak natuurlijk op je rug, kom je met je hoofd tegen het van binnen berijpt tentdak. Buiten een vers pak sneeuw. Gelukkig is in de grote cies-tent warmte. Want onze CSM, de " moeder van de compagnie", zorgt er in de winter altijd secuur voor dat zijn kolenkachel met toebehoren als eerste in onze DAF-AD geladen wordt. (Zo'n adjudant had toen meestal al een kouwelijke leeftijd.)
In witte lakens gehuld rukken we dagelijks op door het prachtige heuvellandschap. Talloze malen rijden zich voertuigen vast. Ook het voetvolk houdt zich met moeite op de been. Glibberen, vallen en opstaan. Maar je blijft er tenminste warm van.
Na een week banjeren gaan de officieren een ruig avondje uit in hotel De Kroon in Epen. ’s Anderendaags zijn we nog behoorlijk dizzy en dat worden we nog meer. Want onze S2 komt met een onzalige verrassing: Alleen de chauffeurs rijden met hun voertuigen terug naar Oirschot. Alle anderen moeten, lopend in drie nachtmarsen, die 150 kilometer overbruggen. Weliswaar in lichte bepakking, maar toch…
Bij het vallen van de avond gaan we met de moed in de schoenen niet op weg, maar op pad. Letterlijk. Vanwege de veiligheid wordt namelijk zo veel mogelijk gebruik gemaakt van binnenpaadjes en veldwegen.
 
Hardbevroren. Langeafstandsmarsen hebben we al tijden niet meer gelopen. En zeker mijn peloton niet: wij verplaatsen ons doorgaans in onze mortierjeeps. Urenlang hobbelen we nu voort. Diepe duisternis, slapende dorpjes, verstand op oneindig. Die verdomde legersokken kruipen steeds dieper in je schoenen. Ergens in the middle of nowhere staan soms piefen met fourage: twee bananen. Midden in de nacht een korte opluchting: een verbandpost. Geen getape. Blarenprikken, jodium, wegwezen.
’s Morgens vroeg wankel je een bivak in. Krijg je het ontbijt en een lunchpakket. Je frommelt jezelf in de slaapzak en bent enige uren van deze ellendige aardkloot verlost. Krijgt een zalige droom:
"Wij marcheren door de straten
van ons mooie Limburgse land
wij zijn trots te mogen dienen
voor koningin en vaderland…" A me hoela!
Het aantal uitvallers groeit elke nacht. Dit versterkt wel de wil van de overblijvers om kost wat kost het barre karwei te klaren.
De laatste kilometers. Wat is de Oirschotse dijk toch een heerlijke weg! Het einde! Na een driedaagse veldtocht met grote verliezen, strompelen de uitgeputte overwinnaars hun basiskamp weer binnen. Daar vinden ze geen juichende menigte, maar slechts slaperige " gesneuvelden", op weg naar hun ontbijt…

Epiloog.
Zo, dit waren wat grepen in de grabbelton van mijn herinneringen aan het roemruchte 16e bataljon Limburgse Jagers. Een militaire eenheid en daarbij vooral ook een hechte Limburgse. Er verdwaalde wel eens een "Hollander" in, maar na een korte periode beheerste de allochtoon voldoende het Algemeen Beschaafd Limburgs (ABL).
De "beroeps" noemden ons, dienstplichtigen, smalend wel eens: "burgers in noodverpakking". Na het afzwaaien kwam uit die verpakking echter wel een ander soort burger tevoorschijn. Met in zijn geestelijke plunjezak ook een verworven kostbare voorraad aan incasseringsvermogen, discipline en kameraadschap. Bij sollicitaties in de burgermaatschappij was toen een der eerste vragen: "Ben je in dienst geweest?" Vaak ook een voorwaarde. Want zo'n kandidaat was dan niet anders, maar beter!!!

Frans Augustus,
Pc mortierpeloton 81 mm
A-cie 16 bat. RLJ
1958-1959.